afdeling strafrecht parketnummer: 23-003900-17 datum uitspraak: 23 maart 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-680017-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, adres: [adres], thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – en ten aanzien van de strafoplegging, meer in het bijzonder de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft daarbij tevens bijzondere voorwaarden opgelegd. Het hof neemt deze strafoplegging en de daaraan ten grondslag liggende motivering van de rechtbank over. Het vonnis van de rechtbank wordt in verband hiermee aan dit arrest gehecht en wordt geacht daarvan in zoverre deel uit te maken. Vorderingen van de benadeelde partijen In het onderhavige strafproces hebben zich – voor zover hier nog aan de orde – als benadeelde partijen in eerste aanleg gevoegd [benadeelde 1], [benadeelde 2] & [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en [benadeelde 6], en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde feiten. In hoger beroep zijn deze vorderingen wederom aan de orde. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vorderingen van de benadeelde partijen worden van de zijde van de verdachte betwist. Daartoe is door de verdediging, kort gezegd, aangevoerd dat voor toewijzing is vereist dat sprake is van een causaal verband tussen de geleden schade en de door de verdachte gepleegde gewoonteheling. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een veroordeling ter zake van gewoonteheling er sprake is van een te ver verwijderd verband tussen het bewezenverklaarde strafbare feit en de door de benadeelde partijen – slachtoffers van diefstal – geleden schade. Voorts wordt de omvang van de geleden schade betwist. Het hof overweegt als volgt. Ook in hoger beroep staat vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld, welk onrechtmatig handelen hem kan worden toegerekend. Immers, bewezen is verklaard dat de verdachte zich meermalen strafbaar heeft gemaakt aan gewoonteheling, als bedoeld in artikel 417 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verdachte is derhalve in beginsel verplicht de door de benadeelde partijen geleden schade te vergoeden, maar alleen indien de gepleegde gewoonteheling kan worden aangemerkt als conditio sine qua non van de door de benadeelde partijen geleden schade (artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Door de benadeelde partijen en in het bijzonder door het openbaar ministerie, dat kennis heeft van het volledige dossier, zijn – in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de verdachte – echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die maken dat van een dergelijk conditio sine qua non verband sprake is. De enkele stelling dat de voorwerpen zijn gestolen door middel van een inbraak en vervolgens door de verdachte zijn geheeld volstaat daarvoor niet. Daartoe het volgende. De vorderingen van [benadeelde 1], [benadeelde 2] & [benadeelde 3] en Boterhoek zien op schade die is geleden als gevolg van inbraken, gepleegd respectievelijk op 16 november 2016, 9 februari 2017 en 1 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.