GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.200.989/01 zaaknummer rechtbank Amsterdam : 5082902 EA VERZ 16-552 en 5082998 EA VERZ 16-553 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 januari 2018 inzake AMSTERDAM MEAT COMPANY AMECO B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante in principaal appel, tevens verweerster in incidenteel appel, advocaat: mr. C.I.M. Molenaar te Volendam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal appel, tevens appellant in incidenteel appel, advocaat: mr. S. Karakaya-Pilavci te Leusden. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna Ameco en [geïntimeerde] genoemd. Ameco is bij verzoekschrift met bewijsstukken, ontvangen ter griffie van het hof op 12 oktober 2016 onder aanvoering van vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemde zaaknummers op 12 juli 2016 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, primair dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en alsnog voor recht zal verklaren dat Ameco [geïntimeerde] op terechte gronden op 25 maart 2016 op staande voet heeft ontslagen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, alsmede dat [geïntimeerde] de werkzaamheden vanaf die datum tot 1 september 2016 niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid niet voor rekening van Ameco dient te komen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld het loon over die periode terug te betalen. De subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken zijn voorwaardelijk ingesteld. Op 8 december 2016 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van [geïntimeerde] ingekomen, inhoudende het verzoek de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. [geïntimeerde] heeft zijnerzijds incidenteel beroep ingesteld tegen de uitgesproken ontbinding en de afgewezen billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:671b lid 8 sub c BW. Tevens heeft [geïntimeerde] verzocht om een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:683 lid 3 BW. Ameco heeft hiertegen verweer gevoerd. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Bij die gelegenheid heeft namens Ameco mr. Molenaar voornoemd het woord gevoerd en namens [geïntimeerde] mr. R.H.G. Evers, advocaat te Leusden. Daarbij heeft mr. Evers zich bediend van aan het hof overgelegde aantekeningen. Partijen hebben inlichtingen verschaft. Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten. Uitspraak is nader bepaald op heden. 2Feiten De kantonrechter heeft in de bestreden beslissing onder 1.1 tot en met 1.7 een aantal feiten in deze zaak als vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Die feiten behelzen, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende. 2.1. [geïntimeerde] , geboren op [geboortedatum] 1976, is op 22 oktober 2007 in dienst getreden bij Ameco, groothandel in vleesproducten. [geïntimeerde] was laatstelijk werkzaam als algemeen medewerker, waarbij hij voornamelijk was belast met het wegen van uitgebeend vlees, waarna het aan de klanten werd verzonden. Het laatstverdiende salaris bedroeg € 3.955.82 bruto per vier weken (€ 4.285,47 bruto per maand) bij een werkweek van 45 uur. De CAO Vleessector is van toepassing. 2.2. [geïntimeerde] is op 21 maart 2016 niet op zijn werk verschenen, omdat hij door de politie was aangehouden in verband met een voorval in de nacht van 18 op 19 maart 2016. 2.3. Op 22 maart 2016 is [geïntimeerde] weer op het werk verschenen en heeft hij een gesprek met de heer [A] van Ameco gehad over het gebeurde. Deze heeft hem geschorst en aangekondigd dat Ameco de zaak zou onderzoeken. 2.4. Tijdens een gesprek op 25 maart 2016, waarbij namens [geïntimeerde] [B] en namens Ameco de heer [A] en de gemachtigde van Ameco aanwezig waren, is [geïntimeerde] door Ameco op staande voet ontslagen. 2.5. Bij brief van 25 maart 2016 is het gesprek bevestigd. Als dringende reden is opgegeven: “(...) dat u in de nacht van 18 op 19 maart tussen 01.00 en 01:30 uur gebruik heeft gemaakt van onze bedrijfswagen ( [merk auto] met kenteken [kenteken] ) bij het plegen van een ernstig misdrijf. Daarvoor bent u vervolgens door de politie aangehouden en tot maandag 21 maart jl. 17:00 uur in verzekering gesteld. Op dinsdag 22 maart jl. heeft de heer [A] met u gesproken en liet u aan hem weten dat u zich niet had schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) een misdrijf of een poging daartoe. Volgens uw opgave was u erin geluisd, althans misleid door uw broer. De heer [A] heeft u vervolgens geschorst en naar huis gestuurd in afwachting van de uitkomst van ons onderzoek naar hetgeen zich in de nacht van 18 op 19 maart jl. feitelijk heeft afgespeeld. Gisteren, donderdag 21 november jl. omstreeks 17.00 uur (kennelijk is bedoeld: donderdag 24 maart 2016, hof) hebben wij het onderzoek afgerond en u uitgenodigd voor een gesprek. Uit ons onderzoek is naar voren gekomen dat u in de nacht van 18 op 19 maart jl. tussen 01:00 en 01:30 uur in eendrachtige samenwerking met uw broer en een Poolse chauffeur van Transit4U de vracht van een trailer van Post.nl (onder meer bestaande uit elektronische apparatuur) heeft overgeladen naar de bedrijfswagen van Ameco met het oogmerk om die lading te ontvreemden. U bent daarbij op heterdaad betrapt door de tijdig gealarmeerde politie en de recherche van Post.nl. Volgens opgave van de recherche van Post.nl blijkt uit alles dat er sprake was van een vooropgezet plan (…). Tijdens de inverzekeringstelling heeft u zich, evenals uw broer, beroepen op uw zwijgrecht. Het bovenstaande beschouw ik als een ernstige veronachtzaming van uw verplichtingen als werknemer waarmee u bovendien de goede naam van ons bedrijf in diskrediet heeft gebracht en dat vormt voor mij een dringende reden om het dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen (...)”. 2.6. Bij brief van zijn gemachtigde van 31 maart 2016 heeft [geïntimeerde] geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet, waarbij hij er (opnieuw) op heeft gewezen dat hij ongewild door zijn broer is betrokken bij de gebeurtenissen in de nacht van 18 op 19 maart 2016 en dat hij volledig heeft meegewerkt aan het politieonderzoek. [geïntimeerde] heeft zich beschikbaar gehouden om de bedongen arbeid te verrichten. 2.7. Op 23 mei 2016 is [geïntimeerde] blijkens de bij fax van 22 juni 2016 in het geding gebrachte “aantekening mondeling vonnis” door de politierechter vrijgesproken. Dit vonnis is onherroepelijk. 3Beoordeling 3.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg primair vernietiging van het hem gegeven ontslag op staande voet verzocht alsmede wedertewerkstelling en doorbetaling van loon. Subsidiair heeft hij een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van Ameco verzocht, alsmede de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 9 BW (kennelijk is bedoeld artikel 7:672 lid 10 BW, hof) en een transitievergoeding en meer subsidiair betaling van de transitievergoeding. [geïntimeerde] stelt daartoe dat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt, omdat de gebeurtenissen in de privésfeer hebben plaatsgevonden, terwijl hem daarvan ook geen ernstig verwijt treft en hij inmiddels is vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten. Bovendien, zo stelt [geïntimeerde] , is het ontslag ook niet onverwijld gegeven, terwijl verder geen rekening is gehouden met zijn staat van dienst en zijn verdere persoonlijke omstandigheden. [geïntimeerde] betwist ook dat er tussen partijen een ernstige vertrouwensbreuk is ontstaan. 3.2 Ameco heeft gesteld dat gezien de aan [geïntimeerde] verweten feiten het ontslag op staande voet terecht is gegeven, waaraan een vrijspraak ook geen afbreuk doet. [geïntimeerde] had zich niet met deze activiteiten moeten inlaten. Op die grond heeft Ameco de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in art. 7:677 lid 3 onder a BW verzocht. Als het ontslag al zou moeten worden vernietigd, dan treft [geïntimeerde] niettemin een ernstig te nemen verwijt van zijn handelen (art. 7:669 lid 3 sub e BW) en bestaat er door het handelen van [geïntimeerde] in ieder geval een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub g BW, die (telkens) een ontbinding rechtvaardigt. Een transitievergoeding is alsdan niet verschuldigd omdat [geïntimeerde] vanwege zijn handelen een ernstig verwijt treft van die beëindiging. 3.3 De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd en de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 september 2016. Ameco is veroordeeld tot betaling van loon over de periode 25 maart 2016 tot 1 september 2016, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente. Aan [geïntimeerde] is verder een transitievergoeding toegekend van € 12.369,27 bruto. De proceskosten zijn gecompenseerd. De kantonrechter overwoog daartoe kort samengevat het volgende. Nu [geïntimeerde] is vrijgesproken door de politierechter staat vast dat er in strafrechtelijke zin geen sprake is geweest van verwijtbare gedragingen in de bewuste nacht van 18 op 19 maart 2016. Blijkens de ontslagbrief was de dringende reden hierop echter wel gebaseerd. De lezing van de gebeurtenissen en de rol van [geïntimeerde] daarin is onvoldoende komen vast te staan, terwijl Ameco geen (nader) bewijsaanbod heeft gedaan. In de gedragingen van [geïntimeerde] ligt ook onvoldoende een verwijt besloten om te komen tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex art. 7:669 lid 3 sub e BW. De ontbinding wordt echter krachtens art. 7:669 lid 3 sub g BW uitgesproken, omdat [geïntimeerde] geen openheid van zaken heeft gegeven, onder meer door het strafdossier niet ter beschikking te stellen. Bovendien heeft [geïntimeerde] verschillende lezingen van de gebeurtenissen gegeven die telkens op belangrijke punten enigszins verschillen, waardoor terechte twijfels zijn ontstaan over de betrouwbaarheid van [geïntimeerde] . Door dit alles is een verstoorde arbeidsrelatie ontstaan, zodanig dat van Ameco niet kan worden gevergd dat zij deze voortzet. Nu geen verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] wordt aangenomen heeft hij recht op een transitievergoeding. De eveneens door [geïntimeerde] gevorderde billijke vergoeding is afgewezen, omdat er geen sprake is van een verwijtbaar, laat staan een ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Ameco met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. 3.4.1 Ameco komt met haar grieven in principaal appel op tegen het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de afwezigheid van een dringende reden (grief I en II), de toewijzing van loon over de periode van 25 maart 2016 tot 1 september 2016 en de wettelijke verhoging daarover (grief III), de door de kantonrechter afgewezen grondslag als bedoeld in art. 7:669 lid 3 sub e BW (grief IV) en de afwijzing van de gefixeerde schadevergoeding (grief V). 3.4.2 [geïntimeerde] komt met zijn grieven in incidenteel appel op tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst krachtens art. 7:669 lid 3 sub g BW per 1 september 2016 en de afwijzing van de billijke vergoeding op grond van ernstig verwijtbaar handelen in dat kader van Ameco (grief I). Voorts verzoekt hij een billijke vergoeding in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst (grief II). 3.5.1 Het hof zal eerst de grieven I en II van Ameco in het principaal beroep bespreken die betrekking hebben op het oordeel van de kantonrechter over de (afwezigheid van een) dringende reden. Daartoe dient het volgende. Uit de verder niet bestreden observatie van de medewerkers van PostNL, [C] en [D] , neergelegd in een proces-verbaal van politie van 19 maart 2016 blijkt het volgende: “Wij hebben besloten om een observatie op touw te zetten. Wij hadden de informatie dat het bedrijf, waarbij de genoemde pakketten verdwenen waren tijdens het transport, op zaterdag 19 maart 2016 omstreeks 01.30 geladen vanaf het PostNL pakketsorteercentrum in Halfweg ook vandaag zou gaan rijden naar het PostNL pakketsorteercentrum in Opmeer. Ik heb samen met mijn collega, [D] , op 18 maart 2016 omstreeks 23.30 uur de observatie bij het sorteercentrum in Halfweg aangevangen. Wij hebben de observatie gestart in de regiekamer van het sorteercentrum waar alle camerabeelden kunnen worden bekeken. Tevens hebben wij als voorbereiding een pakket voorzien van een track en trace systeem tussen de te laden pakketten geplaatst zodat de vrachtwagen die wij in de gaten wilden houden konden volgen. Op zaterdag 19 maart 2016 omstreeks 00.48 uur zag ik de vrachtwagen die de betreffende lading pakketten moet laden “aandocken” bij het sorteercentrum. Op de camerabeelden zag ik de chauffeur van de vrachtwagen dezelfde chauffeur betrof als de chauffeur van de vrachtwagen die de verdwenen pakketten vervoerde. Op de camerabeelden zag ik dat de chauffeur de rolcontainers die voor zijn route bedoeld zijn in zijn vrachtwagen laadt. De vrachtwagen wordt vervolgens door een medewerker van het sorteercentrum verzegeld. Op zaterdag 19 maart 2016 omstreeks 01.11 zag ik dat de geladen vrachtwagen met de pakketten die wij wilden volgens vertrekt bij het sorteercentrum en zijn route richting het sorteercentrum in Opmeer start. Mijn collega en ik hebben verbinding gemaakt met het track en trace baken. Wij hebben de vrachtwagen vervolgens op gepaste afstand gevolgd met een onopvallend dienstvoertuig. Middels het track en trace systeem zag ik dat de vrachtwagen over de Haarlemmerweg in de richting van Amsterdam reed. Bij de kruising Haarlemmerweg met de Australiëhavenweg zag ik vervolgens op het track en trace systeem dat de vrachtwagen de Australiëhavenweg op reed. Vanaf dit moment hadden mijn collega en ik daadwerkelijk zicht op de vrachtwagen. Ik zeg vervolgens dat de vrachtwagen bij de rotonde de eerste afslag, Sierenborch, nam. Direct daarna zag ik dat de vrachtwagen de eerste weg rechts, Baionen, nam. Vervolgens reed de vrachtwagen met de bocht mee naar links, Accason. Hier zag ik dat de vrachtwagen omstreeks 01.24 uur langs de kant van de weg stopte. Mijn collega en ik zijn Jarmuiden ingereden en hebben vanuit hier zicht gepakt op de achterzijde van de vrachtwagen. Ik had redelijk goed zicht, er is daar straatverlichting aanwezig. Na ongeveer 1 of 2 minuten te hebben gewacht, zag ik een donker bestelbusje aan komen rijden. Ik zag dat dit busje direct achter de vrachtwagen ging staan. Mijn collega heeft vervolgens de politie gewaarschuwd en om assistentie verzocht. Mijn collega en ik zagen dat de lichten van beide voertuigen werden gedoofd. Op een gegeven moment zag ik dat de achterdeur van de vrachtwagen open moest zijn, ondanks dat deze verzegeld was, voor mijn collega en mij was het nu duidelijk dat er pakketten overgeladen gingen worden. Het daadwerkelijk overladen van de pakketten heb ik niet gezien. Omdat er nog steeds geen politie terplaatse was, heeft [D] nogmaals gebeld. Op een gegeven moment zag ik dat de achterdeur van de vrachtwagen weer dicht was. [D] heeft vervolgens nogmaals de politie gebeld omdat dit het moment kon zijn waarop belde voertuigen weer zouden kunnen gaan rijden. Ik zag vervolgens dat de politie aan kwam rijden. [D] had reeds telefonisch contact gehad met de betreffende agenten. Wij zijn direct achter de politie aan opgereden richting de beide voertuigen. Ik heb ons voertuig vlak voor het bestelbusje gezet zodat deze in ieder geval niet weg kon rijden. Ik zag dat er achter het stuur van het busje een man zat. Ik zag dat hij zijn handen omhoog deed. Ik zag dat mijn collega de bestuurder van het busje uit heeft laten stappen. Ik ben vervolgens naar de trekker van de vrachtwagen gelopen om te kijken of de chauffeur hierin zat, dit was niet het geval. Ook op het grasveld waarlangs de vrachtwagen stond zag ik de chauffeur niet. Ik ben vervolgens samen met de politie terug gelopen naar het bestelbusje en heb de schuifdeur hiervan geopend. Ik zag in de laadruimte van het busje twee mannen. De ene man herkende ik als zijnde de chauffeur van de vrachtwagen. De andere persoon herkende ik niet. Tevens zag ik een aantal pakketten van de Media Markt liggen waarvan er een aantal geopend waren. Ik zag bij een aantal pakketten het PostNL adreslabel, dit betekend (sic) dus dat deze pakketten niet in dit busje thuishoorden maar in de vrachtwagen die naar het sorteercentrum in Opmeer onderweg was. Ik zag dat alledrie de mannen, dus ook de chauffeur van de vrachtwagen, die in het bestelbusje zat, werden aangehouden door de politie. Wat mij opviel is dat de deuren van de vrachtwagen dicht zaten en dat het zegel nog intact was. Het zegel moet dus op de een of af andere manier omzeild zijn. Een onderzoek van mijn collega wees uit dat de het sluitwerk van de deuren, waar het zegel vervolgens aan vast wordt gemaakt, met een bout aan de deur vast zit. Deze bout bleek met de hand losgedraaid te kunnen worden waarna de deur gewoon geopend kon worden zonder het zegel te verbreken. Ik heb van de politieagent die de vrachtwagen naar het sorteercentrum van Post NL aan de Australiëhavenweg (heeft gevolgd?, hof) gehoord, dat er een telefoon in de cabine van de vrachtwagen lag die diverse keren is afgegaan.” Verder staat vast door erkenning dat het bestelbusje de bedrijfswagen van Ameco was, dat [geïntimeerde] de chauffeur van het betreffende bestelbusje was en dat de twee mannen in de laadruimte van dat bestelbusje respectievelijk de broer van [geïntimeerde] en de chauffeur van de vrachtwagen van Trans4U BV waren. Ameco heeft in de brief van 25 maart 2016 opgenomen dat de dringende reden voor het ontslag is “(…) dat u in de nacht van 18 op 19 maart jl. tussen 01:00 en 01:30 uur gebruik heeft gemaakt van onze bedrijfswagen ( [merk auto] met kenteken [kenteken] ) bij het plegen van een ernstig misdrijf”. Daarna volgt een beschrijving van de gebeurtenissen, die overeen komen met de hiervoor beschreven observaties, waarna Ameco de brief afsluit met de passage “Het bovenstaande beschouw ik als een ernstige veronachtzaming van uw verplichtingen als werknemer waarmee u bovendien de goede naam van ons bedrijf is diskrediet heeft gebracht en dat vormt voor mij een dringende reden om het dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen.” [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een ‘ernstig misdrijf’ nu hij is vrijgesproken door de politierechter van het hem terzake tenlastegelegde en de kantonrechter is hem daarin gevolgd. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter daarbij echter miskend dat in de bewuste brief van 25 maart 2016 het gebruik maken van de bedrijfswagen van Ameco in combinatie met de uitgebreid beschreven gedragingen van [geïntimeerde] in de betreffende nacht van 18 op 19 maart 2016 de grond vormen voor de dringende reden en dat [geïntimeerde] dat redelijkerwijs zo ook moet hebben begrepen. De verdere kwalificatie van deze gedragingen door Ameco als een ‘ernstig misdrijf’ is daarbij niet van belang. Dat zou anders zijn indien uit de ontslagbrief of uit nadere mededelingen van Ameco zou kunnen worden afgeleid dat het bestaan van een dringende reden mede afhankelijk was van het antwoord op de vraag of de betrokkene in verband daarmee door de strafrechter zou worden veroordeeld. Een dergelijk voorbehoud is in die brief echter niet te lezen en ligt naar het oordeel van het hof ook niet voor de hand gezien het karakter van een ontslag op staande voet. Deze vaststaande gedragingen van [geïntimeerde] rechtvaardigen naar het oordeel van het hof alleszins de kwalificatie van een dringende reden, nu duidelijk is dat [geïntimeerde] betrokken was bij een poging pakketten te ontvreemden en daarbij de aan hem toevertrouwde bedrijfswagen van Ameco heeft gebruikt. Dat [geïntimeerde] van zijn handelen geen verwijt kan worden gemaakt en dat hij ‘er in was geluisd’ wordt wel door hem gesteld maar feitelijk in het geheel niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbijgaat. In die zin legt ook de ongemotiveerde vrijspraak door de politierechter geen gewicht in de schaal. 3.5.2 Voor de vraag of voornoemde omstandigheden een ontslag op staande voet kunnen rechtvaardigen zijn voorts de onverwijldheid van opzegging en de onverwijld meegedeelde reden van belang. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de opzegging niet onverwijld is geschied, omdat op 22 maart 2016 de feitelijke omstandigheden die reden vormden voor een ontslag op staande voet reeds bekend waren, terwijl het ontslag eerst op 25 maart 2016 is gegeven. Ameco heeft onbetwist gesteld dat zij op 22 maart 2016 voor het eerst met [geïntimeerde] heeft gesproken en dat toen [geïntimeerde] betwist heeft dat hem een verwijt kon worden gemaakt en dat Ameco hem in afwachting van nader onderzoek heeft geschorst. Dat onderzoek was volgens Ameco afgerond op donderdag 24 maart 2016, waarna zij [geïntimeerde] op vrijdag 25 maart 2016 voor een gesprek heeft uitgenodigd en hem toen in aanwezigheid van de advocaat van Ameco met die resultaten heeft geconfronteerd en hem vervolgens tijdens dat gesprek onder vermelding van de reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.