← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2018:1166

GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 17/00199 6 maart 2018 uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [plaats], belanghebbende, tegen de uitspraak van 16 februari 2017 in de zaak met kenmerk HAA 16/4192 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.

  1. De inspecteur heeft met dagtekening 14 april 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.937 (hierna: de aanslag). Het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is daarbij eveneens vastgesteld op € 62.937 (hierna: het inkomensgegeven). 1.
  2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 26 juli 2016, het bezwaar tegen – naar het Hof begrijpt – de aanslag en het inkomensgegeven niet-ontvankelijk verklaard. In hetzelfde geschrift heeft de inspecteur het bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van het inkomensgegeven, welk verzoek hij heeft afgewezen. 1.
  3. Het tegen de uitspraak op het bezwaar ingestelde beroep, ingekomen bij de rechtbank op 19 augustus 2016, heeft de rechtbank in haar uitspraak van 16 februari 2017 ongegrond verklaard. 1.
  4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingekomen op 28 maart 2017 en is vervolgens op de voet van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden naar het Hof, alwaar het op 30 maart 2017 is ingekomen. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari
  6. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.
  7. De rechtbank heeft in de onderdelen 1 tot en met 6 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur wordt door de rechtbank aangeduid als ‘verweerder’. “
  8. Eiseres en haar echtgenoot zijn geboren respectievelijk op 11 mei 1970 en op 28 februari
  9. Eiseres en haar echtgenote zijn geheel 2013 woonachtig in Nederland.
  10. Op 22 augustus 2014 hebben eiseres en haar echtgenoot de aangiften IB/PVV 2013 ingediend. Volgens deze aangiften bedraagt het verzamelinkomen van eiseres € 62.937 en dat van haar echtgenoot € 13.
  11. Beide inkomens bestaan geheel uit inkomen uit werk en woning, in casu uitkeringen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Het inkomen van eiseres van € 69.289, dat deels bestaat uit een nabetaling van Uwv van een alsnog (hogere) toegekende WAO-uitkering, is verminderd met een aftrekpost eigen woning van € 6.
  12. Aan de hierboven genoemde nabetaling van het Uwv ligt het volgende ten grondslag. Eiseres heeft tot het jaar 2008 een uitkering inzake de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (hierna: WAO-uitkering) ontvangen waarbij is uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 8 mei 2008 is door het Uwv bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 29juni 2008 werd herzien naar een percentage van 25 tot 35%. Tegen voornoemde beschikking van het Uwv is door eiseres bezwaar gemaakt. Het bezwaar door een beslissing op bezwaar van 10 september 2008 gegrond verklaard en de WAO-uitkering is per 29 juni 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Tegen deze beslissing op haar bezwaar heeft eiseres rechtsmiddelen aangewend. Dit heeft geresulteerd in een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze heeft op 13 februari 2013 een tussenuitspraak gedaan. Hierbij is het Uwv opgedragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Het Uwv heeft bij besluit van 5 maart 2013 de beslissing op bezwaar van 10 september 2008 herzien, in die zin dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 29 juni 2008 heeft vastgesteld op 80 tot 100% en dat de eiseres daarmee recht heeft op een volledige WAO-uitkering.
  13. Met dagtekening van 14 april 2015 zijnde aanslagen IB/PVV 2013 van eiseres en haar echtgenoot conform de ingediende aangiften vastgesteld.
  14. Met dagtekening 8 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitieve berekeningen zorgtoeslag en kindgebonden budget voor het berekeningsjaar 2013 beide vastgesteld op € 0 (beschikkingsnummer 2026.48.126.T.13.6.0133). Bij brief van 1 februari 2016 hebben eiseres en haar echtgenoot bezwaar gemaakt tegen de beschikking zorgtoeslag van 8 januari
  15. De in het bezwaarschrift naar voren gebrachte grieven zien uitsluitend op de vaststelling van de hoogte van het aan de definitieve vaststelling ten grondslag gelegde toetsingsinkomen van eiseres en haar echtgenoot. Verweerder heeft het bezwaar daarom doorgestuurd aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift tegen dat toetsingsinkomen, in casu de som van de verzamelinkomens van eiseres en haar echtgenoot. Eiseres heeft de gronden van het bezwaar aangevuld en toegelicht bij e-mailberichten van 24 juni 2016 en 13 juli
  16. Met dagtekening 26 juli 2016 heeft verweerder uitspraak gedaan op het bezwaar van eiseres. Hierbij is het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard en is het bezwaarschrift vervolgens als verzoekschrift behandeld. Het verzoek is tevens in dezelfde brief van 26 juli 2016 afgewezen 2.
  17. Nu in hoger beroep tegen die feitenvaststelling geen bezwaren zijn ingebracht, zal ook het Hof daarvan uitgaan. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast. 2.
  18. Bij een in eerste aanleg ingediend nader stuk, bij de rechtbank ingekomen op 7 oktober 2016, is als bijlage een geschrift gevoegd, gedagtekend 8 mei 2015, welk voor zover van belang als volgt luidt,: “Betreft: Bezwaar maken definitieve aanslag inkomstenbelasting 2013 (…) Dagtekening uw brief 14 april 2015 Datum: 8 mei 2015 (…) Hierbij wil mijn vrouw en ik bezwaar maken tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting
  19. Ondanks dat wij hierover hebben gebeld, zijn naar de kantoor van de Belastingdienst geweest, hebben wij heel laat pas deze aanslag mogen ontvangen.” 3
  20. Geschil in hoger beroep In geschil is of de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag en het inkomensgegeven terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord is evenals bij de rechtbank in geschil of de aanslag en het inkomensgegeven tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld, welke vraag belanghebbende bevestigend en de inspecteur ontkennend beantwoordt. 4Beoordeling van het geschil Uitspraak rechtbank 4.
  21. De rechtbank heeft omtrent het geschil als volgt overwogen: “
  22. In artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is - voor zover hier van belang - bepaald dat de termijn voor het instellen van bezwaar in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is voor de dag van bekendmaking. Artikel 6:7 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij verzending per post geldt dat een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
  23. De aan eiseres oplegde aanslag IB/PVV 2013 is gedagtekend op 14april
  24. Niet is gesteld of gebleken dat de dagtekening van de beschikking was gelegen voor de dag van bekendmaking. Daarom is de bezwaartermijn begonnen op 15 april2015 en geëindigd op 26 mei
  25. Nu verweerder de ontvangst van een bezwaarschrift van eiseres voorafgaande aan het bezwaar van 1 februari 2016, dat was gericht tegen een beschikking van dc Belastingdienst/Toeslagen, heeft betwist is er geen sprake van een bezwaarschrift dat met inachtneming van artikel 6:9 van de Awb is ontvangen. Het aan verweerder doorgezonden bezwaar van eiseres van 1 februari 2016 is niet tijdig ingediend.
  26. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
  27. Voor de conclusie dat eiseres niet in verzuim is geweest bestaat aanleiding indien eiseres aannemelijk maakt dat zij haar bezwaarschrift tijdig ter post heeft bezorgd, maar dat het bezwaarschrift om haar niet-verwijtbare redenen verweerder niet heeft bereikt.
  28. Op basis van het enkele overleggen van een afschrift van liet volgens eiseres ingediende bezwaarschrift kan tijdige verzending daarvan niet worden vastgesteld. Het niet aangetekend verzenden van het bezwaarschrift is een keuze van eiseres en de gevolgen van deze keuze komen voor het risico van eiseres.” Standpunten partijen 4.2.
  29. Belanghebbende heeft haar in beroep ingenomen stelling herhaald. Deze houdt in dat zij wel tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag en het inkomensgegeven. Belanghebbende verwijst daartoe naar het geschrift van 8 mei
  30. 4.2.
  31. Belanghebbende heeft gesteld dat de aanslag en het inkomensgegeven tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Daartoe heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur de nabetaling van de uitkering van het UWV aan haar in 2013 ten onrechte volledig heeft meegenomen bij de vaststelling van de inkomensgegevens van belanghebbende en haar echtgenoot in dat jaar. 4.2.
  32. De inspecteur heeft zich, evenals in beroep, op het standpunt gesteld dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt tegen – naar het Hof begrijpt – de aanslag en het inkomensgegeven. De inspecteur heeft de ontvangst van het geschrift van 8 mei 2015 betwist. Het geschrift van 1 februari 2016, ingekomen bij de Belastingdienst/Toeslagen, is volgens de inspecteur het eerste ingekomen bezwaarschrift. Dit geschrift is echter, aldus de inspecteur, buiten de bezwaartermijn ingekomen. Wel kan het geschrift aangemerkt worden als een verzoek om ambtshalve vermindering van het inkomensgegeven (artikel 21k van de AWR). Hierop is, gelijktijdig met het doen van uitspraak op bezwaar, beslist bij geschrift van 26 juli
  33. Het bij de rechtbank ingediende beroepschrift van belanghebbende is dan, aldus nog steeds de inspecteur, een bezwaar(schrift) tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van 26 juli
  34. 4.2.
  35. Met betrekking tot de hoogte van de aanslag en het inkomensgegeven heeft de inspecteur, evenals in beroep, gesteld dat dit naar het juiste bedrag is vastgesteld. De nabetaling van de uitkering van het UWV is in het jaar 2013 aan belanghebbende uitbetaald en wordt op grond van artikel 3.146 Wet IB 2011 geacht in dat jaar te zijn genoten. Toetsingskader 4.3.
  36. In artikel 2, eerste lid, onder i, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) wordt voor het begrip ‘toetsingsinkomen’ verwezen naar artikel 8 Awir waarin toetsingsinkomen is gedefinieerd als het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven. Artikel 2, eerste lid, onder o, Awir verwijst voor de definitie van ‘inkomensgegeven’ naar artikel 21, onderdeel e, AWR. 4.3.
  37. Hoofdstuk IVA (artikel 21 en verder) AWR is gewijd aan de basisregistratie inkomen. Artikel 21 AWR bevat de begripsbepalingen voor dit hoofdstuk. Artikel 21, onderdeel e, onder 1°, AWR bepaalt dat indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld, het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen het inkomensgegeven is. Bij de bepaling van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, AWR zijn de regels die gelden bij de heffing van de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing. 4.3.
  38. Artikel 21d AWR bepaalt dat voor zover een afnemer - lees: de Belastingdienst/ Toeslagen - een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van het inkomensgegeven uitoefent, deze het inkomensgegeven gebruikt zoals dat ten tijde van het gebruik is opgenomen in de basisregistratie inkomen. 4.3.
  39. Artikel 21j, tweede lid, AWR bepaalt dat een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om wijziging van het besluit van de afnemer, voor zover het gericht is tegen het inkomensgegeven, mede wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen of verzoekschrift om ambtshalve vermindering van het inkomensgegeven. 4.3.
  40. Artikel 21k, tweede lid, AWR bepaalt dat indien betrokkene een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking beslist. Oordeel Hof 4.4.
  41. Met dagtekening 8 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de definitieve berekeningen zorgtoeslag en kindgebonden budget voor het jaar 2013 vastgesteld op nihil. De Belastingdienst/Toeslagen heeft hierbij, op de voet van artikel 21d van de AWR, het inkomensgegeven gebruikt zoals dat door de inspecteur is vastgesteld met dagtekening 14 april
  42. De brief van belanghebbende van 1 februari 2016, die naar inhoud en strekking mede inhield te zijn een bezwaar tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen gehanteerde inkomensgegeven, is terecht op de voet van artikel 21j, tweede lid, van de AWR doorgezonden aan de inspecteur; de inspecteur beslist op een bezwaar tegen het inkomensgegeven. 4.4.
  43. Het Hof zal dan beoordelen of belanghebbende tijdig bezwaar heeft gemaakt bij de inspecteur tegen de aanslag en (de vaststelling van) het inkomensgegeven. Een bezwaar tegen het inkomensgegeven is tijdig ingediend indien het binnen 6 weken na de bekendmaking daarvan is ingediend. Het inkomensgegeven 2013 is - gelijktijdig met de aanslag IB/PVV 2013 - vastgesteld bij beschikking van 14 april
  44. Gesteld noch gebleken is dat de verzending van de beschikking was gelegen voor de dag van de bekendmaking. De bezwaartermijn is dan aangevangen op 15 april 2015 en geëindigd op 26 mei
  45. Nu de inspecteur de ontvangst van de brief van belanghebbende van 8 mei 2015 heeft betwist, heeft het op de weg van belanghebbende gelegen aannemelijk te maken dat dit geschrift tijdig door de inspecteur is ontvangen dan wel – bij verzending per post – tijdig ter post is bezorgd. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet in dit bewijs is geslaagd. Gronden op grond waarvan aannemelijk zou zijn te achten dat belanghebbende, met toepassing van artikel 6.11 Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet in verzuim is geweest, zijn niet aannemelijk geworden. Indien ervan wordt uitgegaan dat de brief van belanghebbende van 1 februari 2016 het (eerste) bezwaar(schrift) is tegen het bij beschikking van 14 april 2015 vastgestelde inkomensgegeven, houdt het hiervoor overwogene in dat dit bezwaar niet tijdig is ingediend. 4.4.
  46. Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende ter zake van het te laat indienen van het bezwaar in verzuim is geweest. Het Hof verenigt zich met dit oordeel en maakt de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden tot de zijne. Dit betekent dat de inspecteur het bezwaar tegen het inkomensgegeven terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor zover belanghebbende met de brief van 8 mei 2015 en/of die van 1 februari 2016 mede bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag is ook dit bezwaar, gelet op de hiervoor gebezigde gronden, te laat ingediend en dus niet-ontvankelijk. Slotsom 4.
  47. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden. 5Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mr. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, als griffier. De beslissing is op 6 maart 2018 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
  48. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  49. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.