afdeling strafrecht parketnummer: 23-000557-17 datum uitspraak: 18 april 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96‑201439-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, (BPR-adres[adres 1], ter terechtzitting in hoger beroep als adres opgegeven: [adres 2]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof middels de navolgende overweging respondeert op een in eerste aanleg en in hoger beroep opnieuw gevoerd en nader toegelicht verweer. Bespreking van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte slechts éénmaal eerder is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Op basis daarvan zou aan de verdachte in onderhavige zaak volgens de destijds geldende “Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed van alcohol en/of drugs en rijden tijdens een rijverbod” (2015R055, Stcrt. 2015/17958, in werking getreden op 1 juli 2015, verder: de Richtlijn) een strafbeschikking moeten zijn gegeven, in plaats van hem rauwelijks te dagvaarden. Dat de verdachte eerder ook is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 9 van genoemde wet diende daarbij buiten beschouwing te blijven, omdat dat geen relevante vorm van recidive in de zin van die Richtlijn is. Er was ook geen andere aanleiding om van de Richtlijn af te wijken, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft op 30 september 2016 als beginnend bestuurder op een snorfiets gereden, terwijl hij de nodige alcohol had geconsumeerd. Bij onderzoek bleek dat zijn adem 780 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bevatte. De verdachte valt met het gemeten ademalcoholgehalte (nog net) in schaal V van de op beginnende bestuurders van bromfietsen van toepassing zijnde tabel 2B van de Richtlijn. De Richtlijn schrijft voor dat ingeval van ‘1e recidive’ bij strafbeschikking een geldboete van € 325,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden wordt opgelegd. Bij ‘meervoudige recidive’ dient de beginnende bestuurder te worden gedagvaard. De verdachte is bij dagvaarding van 4 oktober 2016 gedagvaard te verschijnen voor de politierechter op verdenking van het op 30 september 2016 begane feit. Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 21 maart 2018 is de verdachte bij onherroepelijk vonnis van 26 oktober 2012 veroordeeld ter zake van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.