Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-004452-16 Datum uitspraak: 23 april 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2016 in de strafzaak onder parketnummer 96-172185-16 tegen [naam] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 13 augustus 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 880 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – anders dan de politierechter – tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt. Bewijsoverweging De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat – verklaard dat hij niet de bestuurder van de betrokken auto was, maar als passagier op de bijrijdersstoel zat. Voor zover hij zich herinnert is hij pas uitgestapt toen motoragent [verbalisant 1] bij de auto aankwam en van zijn motor was gestapt. De raadsman heeft zich in het verlengde daarvan op het standpunt gesteld dat de verdachte het voertuig niet heeft bestuurd en dat hij moet worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt. In het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016180692-2 van 13 augustus 2016, opgemaakt door politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , is – zakelijk weergeven – het volgende gerelateerd: “Ik, [verbalisant 3] , zag dat de bestuurdersportier geopend werd en er een man uitstapte. Vervolgens zag ik uit het bestuurdersportier een tweede man stappen. Tevens zag ik op de passagiersstoel voor in het voertuig een persoon zitten. Zolang ik zicht heb gehad op dit voertuig is deze persoon niet uitgestapt. Vervolgens zagen wij dat de motorrijder van de politie ter plaatse kwam en stopte bij het genoemde voertuig en de personen aansprak.” In het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016180692-3 van 13 augustus 2016, opgemaakt door politieambtenaar [verbalisant 1] , is – zakelijk weergeven – het volgende gerelateerd: “Op 13 augustus 2016 (…) was ik (…) gekleed in uniform en belast met motorsurveillance (...). Ik zag twee personen aan de bestuurderszijde naast het voertuig staan. Eén van deze personen bleek [naam] te zijn. Ik zag dat er op de bijrijdersstoel nog een derde man zat. Ik hoorde de centralist zeggen dat zij had gezien dat de persoon die op de bijrijderstoel zat niet uit het voertuig was gekomen (…). Hierop heb ik [naam] gevorderd medewerking te verlenen aan een ademonderzoek (…). Ik zag dat [naam] op het selectieapparaat en ‘F’ blies. Hierop is [naam] aangehouden terzake van rijden onder invloed.” In het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2016180692-4 van 13 april 2017, opgemaakt door politieambtenaar [verbalisant 1] , is naar aanleiding van de vraag of de persoon die op de bijrijdersstoel zat nog op enig moment uit het voertuig is gestapt, – zakelijk weergeven – het volgende gerelateerd: “Ter plaatse is de bijrijder niet uit het voertuig gestapt. Kort na [onderstreping hof] de aanhouding van verdachte [naam] , was de bijrijder uit het voertuig gestapt.” Het hof ziet geen enkel solide aanknopingspunt voor de gedachte dat de inhoud van deze processen-verbaal onjuist zou zijn. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van enige waarnemingsfout. De verklaring van de verdachte is onverenigbaar met de bevindingen van de opsporingsambtenaren, zodat het hof deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde schuift. Mede op grond hiervan acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de persoon is die op 13 augustus 2016 het voertuig heeft bestuurd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 13 augustus 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 880 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.