GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 17/00025 23 januari 2018 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z], belanghebbende, gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer tegen de uitspraak van 14 december 2016 in de zaak met kenmerk AMS 16/1873 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2015 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 59,90 (€ 5 parkeerbelasting en € 54,90 kosten; hierna: de Naheffingsaanslag). 1.2. Belanghebbende heeft daartegen op 10 juni 2015 bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 15 maart 2016 de Naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 14 december 2016 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 22 januari 2017 hoger beroep ingesteld en dat bij faxbericht van 15 februari 2017 gemotiveerd. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft bij faxbericht van 30 december 2017 nadere stukken ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. B. Brekveld. Zonder bericht aan het Hof zijn belanghebbende noch zijn gemachtigde verschenen. Blijkens gegevens van PostNL – in te zien via het internet – is de naar de gemachtigde op 11 december 2017 per aangetekende post verzonden uitnodiging om op de zitting te verschijnen op 14 december 2017 bezorgd op het adres van de gemachtigde. Gemachtigde is aldus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd, zodat de zitting doorgang kon vinden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2. Feiten 2.1. In de gemeente Amsterdam wordt de controle op het betalen van parkeerbelasting (mede) uitgevoerd met behulp van een zogenoemde “scanauto”, die de kentekens van de auto’s die geparkeerd staan registreert en vergelijkt met de in de parkeerapparatuur opgeslagen gegevens van geparkeerde auto’s. 2.2. Op 25 april 2015 omstreeks 15.04 uur, heeft een scanauto geregistreerd dat de auto van belanghebbende, met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto), stilstond op de locatie Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam ter hoogte van huisnummer 142 (hierna: de locatie), zonder dat er parkeerbelasting was voldaan. Ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen 2016 van de gemeente Amsterdam (Gemeenteblad 2015, afd. 3A, nr. 321/1261, hierna: de Verordening) is in geval van parkeren op die locatie op dat tijdstip parkeerbelasting verschuldigd. 2.3. Tot de gedingstukken behoort een afschrift uit de digitale systemen van Cition B.V., waarop onder meer de volgende gegevens staan vermeld: “(…) Scanned 2015 apr 25 – 15:04:40 (…) Parked Y Process status Gereed (…) Team (CADDY07) Caddy 7 (…) Scan car Caddy07 – cition - caddy07 (…) GPS 52.3748173374N, 4.8915608871E Adress Nieuwezijds Voorburgwal (P) From To 15:04:40 Initieel 15:04:43 Gescand 15:04:43 Gescand 15:09:48 Verdacht 15:09:48 Verdacht 15:10:13 Wacht op handhaver 15:10:13 Wacht op handhaver 15:13:39 Controle door handhaver 15:13:39 Controle door handhaver 15:13:52 Gereed” 2.4. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de Naheffingsaanslag. Omtrent de activiteiten van de scanauto en de parkeercontroleurs in kwestie is in de uitspraak op bezwaar het volgende vermeld: “De overwegingen (…) De controleurs hebben gemeld gekregen van de scanauto, die alle voertuigkentekens al rijdend controleert, dat er geen parkeerrecht was voor deze auto. Vervolgens stelden de controleurs negen minuten later vast dat het voertuig op een fiscale parkeerplek stond geparkeerd en dat er geen sprake was van laden en lossen waarna terecht tot het opleggen van een naheffingsaanslag werd overgegaan. Bij het behandelen van een bezwaarschrift wordt in beginsel uitgegaan van de waarneming van de parkeercontroleurs. (…)” 2.5. In het kader van de bezwaarprocedure is belanghebbende op 9 maart om 9.00 telefonisch gehoord. Van dit gesprek is geen afzonderlijk verslag opgemaakt. Over dit horen is in de uitspraak op bezwaar nog wel het volgende vermeld: “Uw argumenten (…) Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat het voertuig stil stond op een fietsstrook en dat het voertuig dubbel stond.” 3Geschil in hoger beroep 3.1. Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil: of de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), doordat de Naheffingsaanslag (mede) is vastgesteld op basis van door een scanauto vergaarde gegevens; of de auto stilstond op een fiscale parkeerplaats, en of de auto niet langer heeft stilgestaan dan nodig was voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen dan wel het onmiddellijk in- of uitstappen van personen. 3.2. Voorts is nog in geschil: of de beslissing van de rechtbank in strijd is met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in die zin dat zij kennis zou hebben genomen van stukken (te weten foto’s en een plattegrond) die niet tot de gedingstukken behoren; of de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met artikel 7:9 van de Awb, doordat hij de beschikking zou hebben gehad over een waarneming van de parkeercontroleurs welke belanghebbende niet bekend is, en of de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met artikel 7:7 van de Awb, doordat hij van het telefonisch horen geen (afzonderlijk) verslag heeft opgemaakt. 3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de heffingsambtenaar zijn aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’ – omtrent het geschil als volgt overwogen en beslist: “5. Hetgeen partijen verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of het belastbare feit, het parkeren, zich heeft voorgedaan. De bewijslast hieromtrent ligt bij de heffingsambtenaar. 6.1. Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder ‘parkeren’ verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Deze definitie is vrijwel gelijkluidend aan de definitie van parkeren die in artikel 225 van de Gemeentewet is opgenomen. 6.2. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening is de parkeerbelasting verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. 7. De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder overgelegde gegevens van de scanauto blijkt dat het voertuig van eiser met kenteken [kentekennummer] om 15:04 uur voor het eerst is gescand op de locatie met GPS-coördinaten 52.3748173374N,4.8915608871E en daarna gedurende in ieder geval ongeveer negen minuten op deze locatie heeft gestaan. Deze GPS-coördinaten komen overeen met een fiscale parkeerplaats aan de Nieuwezijds Voorburgwal ter hoogte van huisnummer 142. Op grond van de door verweerder overgelegde gegevens van de scanauto, bezien in combinatie met de door verweerder overgelegde foto van de situatie ter plaatse, de plattegrond en de ter zitting gegeven toelichting waaronder de verklaring dat geen van de controleurs heeft waargenomen dat de auto op de fietsstrook stond, is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser heeft geparkeerd op een fiscale parkeerplaats. Eiser heeft daartegenover wel gesteld dat hij gedeeltelijk op de fietsstrook heeft gestaan, maar hij heeft die stelling niet nader onderbouwd, zodat deze wordt verworpen. 8. Verweerder heeft eveneens voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van parkeren, en niet van laden en lossen of het in- of uitstappen van personen. Bij geen van de controles op 15:04 uur en 15:13 uur zijn laad- en losactiviteiten of in- of uitstappende personen waargenomen. Die omstandigheid rechtvaardigt in beginsel het vermoeden dat er ook daadwerkelijk geen sprake was van laden en lossen of in- of uitstappen, tenzij er feiten en omstandigheden zijn gesteld die het laden en lossen of het in- of uitstappen aannemelijk maken. Eiser heeft geen zodanige feiten en omstandigheden gesteld. Zo heeft eiser geen inzicht gegeven in de omvang en het gewicht van de lading en de plaats waar het naartoe of vandaan is vervoerd of om welke in- of uitstappende passagiers het hier op beide tijdstippen ging. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van laden en lossen of in- of uitstappen en was er dan ook sprake van parkeren als in artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening op grond waarvan eiser parkeerbelasting verschuldigd was 9. Verder is niet gebleken dat er extra informatie door verweerder is verkregen van de parkeercontroleur zoals gesteld door eiser. Verweerder heeft ter zitting ook toegelicht dat dit niet het geval is. Nu van feiten en/of omstandigheden die pas ná de telefonische hoorzitting van 9 maart 2016 bekend zijn geworden geen sprake is, is artikel 7:9 van de Awb niet geschonden. Voor zover eiser heeft gesteld dat er een verslag van de (telefonische) hoorzitting ontbreekt, oordeelt de rechtbank dat uit artikel 7:7 van de Awb weliswaar volgt dat van het horen een verslag wordt opgemaakt, maar dat de wet niet voorschrijft in welke vorm het verslag dient te worden gegoten en hoe uitgebreid het dient te zijn. Ook is er geen wettelijke verplichting het verslag aan een belanghebbende toe te zenden alvorens een uitspraak op bezwaar te nemen. Uit hetgeen door eiser naar voren is gebracht, is de rechtbank niet gebleken dat de korte weergave van de hoorzitting zoals neergelegd in de uitspraak op bezwaar onjuist of onvolledig is. Van schending van artikel 7:7 van de Awb is dan geen sprake. 10. Nu is vastgesteld dat sprake is van parkeren in de zin van de Verordening en door eiser niet is betwist dat hij geen parkeerbelasting heeft voldaan, heeft het belastbaar feit zich voorgedaan en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. 11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat bij die uitkomst geen aanleiding.” 5. Beoordeling van het geschil Artikel 8 EVRM (recht op privé-, familie- en gezinsleven) 5.1. Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 8 EVRM heeft gehandeld doordat de Naheffingsaanslag (mede) is vastgesteld op basis van door scanauto’s vergaarde gegevens. De wijze waarop de heffingsambtenaar de voor de Naheffingsaanslag benodigde gegevens heeft vergaard ontbeert, aldus belanghebbende, een wettelijke basis. Evenmin bestaat een wettelijke basis waaraan de heffingsambtenaar systematische controlebevoegdheden kan ontlenen. Bovendien heeft de heffingsambtenaar niet de bevoegdheid tot het opslaan en systematisch vaststellen en bewaren van deze gegevens. Dit alles maakt, aldus nog steeds belanghebbende, dat de scangegevens die zijn opgenomen in het dossier niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de naheffingsaanslag. 5.2. Het Hof stelt voorop dat de gemeenteraad bevoegd was de Verordening vast te stellen. Naar het oordeel van het Hof is daarmee tevens een controlebevoegdheid gegeven op de naleving van de Verordening: de heffingsambtenaar mag controleren of de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. De controlebevoegdheid kent echter grenzen, gesteld door wet, verdrag en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende stelt dat de grens getrokken door artikel 8 EVRM is overschreden. 5.3. Artikel 8, eerste lid, EVRM bepaalt – voor zover hier van belang – dat “een ieder (…) recht [heeft] op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven”. In het tweede lid van artikel 8 wordt vervolgens bepaald dat “geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid [Hof: en enige andere opgesomde belangen]”. Een schending van artikel 8 EVRM vindt plaats indien sprake is van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.