← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2018:1529

Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002902-17 Datum uitspraak: 23 maart 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 31 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96-242366-14 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de politierechter opgelegd. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met een overweging omtrent het ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de strafoplegging gevoerde verweer. Oplegging van straffen De ernst van het bewezen verklaarde rechtvaardigt, mede gelet op de door strafrechters in Nederland gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting, in beginsel oplegging van onvoorwaardelijke straffen. Het hof houdt echter rekening met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, en in het bijzonder met de omstandigheden dat de verdachte na onderhavig feit zelf hulp heeft gezocht voor zijn persoonlijke problemen, dat hij zijn rijbewijs klaarblijkelijk nodig heeft voor zijn werk en dat deze bron van inkomsten noodzakelijk is voor de zorg die hij voor zijn zoon draagt. Daarom acht het hof een voorwaardelijke geldboete en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zoals hem in eerste aanleg is opgelegd, passend en geboden. Oplegging van een lagere voorwaardelijke geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid, laat staan het afzien van oplegging van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, zoals door de raadsman bepleit, doet in het geheel geen recht aan de ernst van het bewezen verklaarde feit. BESLISSING Het hof: Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M.J.A. Duker, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 maart 2018.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.