Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002668-17 Datum uitspraak: 12 april 2018 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-162541-16 tegen: [verdachte] , geboren in de [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, laatst opgegeven woon- of verblijfadres volgens de SKDB Informatiestaat: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 21 februari 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen opzettelijk die [benadeelde 1] (meermalen) met een fles of dergelijk hard voorwerp tegen het gezicht en/of hoofd heeft geslagen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging komt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 21 februari 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen opzettelijk die [benadeelde 1] meermalen met een fles tegen het hoofd heeft geslagen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: poging tot zware mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft verzocht de verdachte een taakstraf op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door een aantal keren met een fles tegen het hoofd van het slachtoffer te slaan. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer pijn ondervonden en letsel opgelopen. De verdachte heeft hiermee een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is niet aan de verdachte te danken geweest dat het slachtoffer, dat geraakt is op een kwetsbare plek van haar lichaam, geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bovendien brengt haar handelen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg, te meer nu het heeft plaatsgevonden in een uitgaansgelegenheid waar op dat moment veel mensen aanwezig waren. In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 februari 2018, niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het bewezenverklaarde feit is te ernstig om te volstaan met een lagere straf dan de hieronder bedoelde. De oplegging van een taakstraf, zoals is bepleit door de raadsman, is dan ook niet toereikend. Het hof acht alles afwegende een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt volgens het proces-verbaal van de zitting van de politierechter van 19 juli 2017 € 3.483,13 (het hof begrijpt: 3.484,13), bestaande uit, zoals het hof begrijpt, € 1.984,13 aan materiële schade (te weten: € 1.500 verwijdering littekens en siliconenpleisters + € 161,15 medicijnen + € 322,98 netto verlies arbeidsinkomsten) en € 1.500 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.334,13, bestaande uit € 1.834,13 aan materiële schade en € 1.500 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist. Het hof overweegt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade ten bedrage van € 1.984,13 heeft geleden, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen. Het hof bepaalt, rekening houdend met de datum waarop de kosten zijn gemaakt, de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor het bedrag van € 161,15 voor medicijnen op 24 augustus 2016 en voor het bedrag € 322,98 voor verlies aan arbeidsinkomen op 1 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.