afdeling strafrecht parketnummer: 23-000109-18 datum uitspraak: 8 mei 2018 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2018 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-225822-17 (hierna A) en 13-226334-17 (hierna B), alsmede 13-094200-15 (tul) en 23-003656-16 (tul) tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: A primair hij op of omstreeks 10 november 2017 te Amsterdam, een goed te weten een ID bewijs heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; subsidiair hij op of omstreeks 10 november 2017 te Amsterdam opzettelijk een ID kaart, in elk geval enig goed, geheel of gedeeltelijk toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten gevonden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; B hij op of omstreeks 11 november 2017 te 03:49 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kinderrechter. Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte van het onder A primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken omdat niet uit het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs kon vermoeden dat het ID-bewijs van misdrijf afkomstig was. Ten aanzien van het onder B ten laste gelegde moet hij eveneens worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe gesteld dat de verdachte het gebiedsverbod niet opzettelijk heeft overtreden. De verdachte was immers niet op de hoogte van de duur van het gebiedsverbod en evenmin van de omvang van het voor hem verboden gebied. Feit onder A primair Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A primair is ten laste gelegd. Het dossier bevat over de wijze van verkrijging van het ID-bewijs ten name van [slachtoffer] door de verdachte geen objectieve gegevens. In het dossier zijn enkel de verklaringen voorhanden die de verdachte zelf heeft afgelegd. Het hof is van oordeel dat op basis van deze verklaringen – hoewel de verdachte wisselend heeft verklaard – niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het verkrijgen van voormeld ID-bewijs wist dat dit ID-bewijs door misdrijf was verkregen, noch dat hij de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard of redelijkerwijs moest vermoeden dat het ID-bewijs van misdrijf afkomstig was. De verdachte moet daarom van de verweten heling (feit A primair) worden vrijgesproken. Feit onder B Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat er geen opzet was omdat de verdachte niet op de hoogte was van de duur van het gebiedsverbod en de omvang van het gebied waarvoor het verbod gold en overweegt daartoe het volgende. Verbalisant [verbalisant] relateert in het door haar op 10 november 2017 opgemaakte proces-verbaal (doorgenummerde bladzijden 12 tot en met 15) onder meer dat zij die dag om 4.30 uur aan de verdachte het bevel heeft gegeven zich uit het overlast gebied te verwijderen voor de duur van vierentwintig uren, en dat zij aan de verdachte een kaartje heeft uitgereikt met daarop een beschrijving van de grenzen van het overlastgebied. Hoewel een deel van dit proces-verbaal uit automatisch geselecteerde/gegenereerde tekst lijkt te bestaan, heeft het hof geen reden te twijfelen aan de juistheid van voormelde (specifiek op de verdachte betrekking hebbende) tekstonderdelen. Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte op de hoogte was van de omvang van het gebied waarop het bevel zag en de duur waarvoor het bevel gold. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A subsidiair en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: A subsidiair hij op 10 november 2017 te Amsterdam opzettelijk een ID kaart toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten: heeft gevonden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; B. hij op 11 november 2017 te 03:49 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens wettelijk voorschrift, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast), gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - zich uit het overlastgebied, een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden. Hetgeen in zaak A en B meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A subsidiair en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A subsidiair bewezen verklaarde levert op: verduistering. Het in zaak B bewezen verklaarde levert op: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A subsidiair en in zaak B bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A primair en in zaak B bewezen verklaarde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van drie weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarden toezicht door Reclassering Nederland en medewerking aan aanvullende begeleiding en hulpverlening door Skill4people, en een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van veertig
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.