← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2018:1564

afdeling strafrecht parketnummer: 23-004521-17 datum uitspraak: 8 mei 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 12 december 2017- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-079318-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, adres: [adres] . Procesgang De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 4 februari 2016 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis, waarvan € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 12 december 2017 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, en de zaak naar dit gerechtshof teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 april

  1. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2014 tot en met 09 februari 2015 te Amsterdam, althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongere [zoon] , geboren op 18 september 2009, althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere [zoon] , geboren op 18 september 2009, had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de kantonrechter. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd. De zoon van de verdachte, [zoon] , is op 18 september 2014 leerplichtig geworden. Voorafgaand aan 18 september 2014 stond hij niet op een school ingeschreven. De verdachte heeft tijdig, op 25 juni 2014, bij de gemeente aangegeven aanspraak te maken op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van haar zoon als leerling van een school, als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet
  2. De verdachte en haar echtgenoot voeden hun zoon [zoon] (als ook de andere kinderen in het gezin) op in een liberaal joodse traditie, waarbij de joodse identiteit de hele dag aanwezig is. Gelet hierop willen zij dat hun kinderen onderwijs ontvangen dat deze liberaal joodse levensovertuiging uitdraagt, of in elk geval in voldoende mate bevordert. De verdachte heeft aangegeven dat zij bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen waarop haar zoon geplaatst zou kunnen worden. Haar bedenkingen zien zowel op christelijke of islamitische leest gestoelde scholen, als ook de ‘neutrale’ openbare of algemene scholen en de twee in Amsterdam gevestigde joodse onderwijsinstellingen. Ten aanzien van de door de verdachte aangevoerde bezwaren tegen de richting van christelijke of islamitische scholen geldt dat het hof deze bezwaren als richtingbezwaren beschouwd als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet
  3. Ten aanzien van de bedenkingen tegen de richting van openbare of algemene scholen stelt het hof het volgende vast. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 ook hierin bestaan dat bedenkingen bestaan tegen het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs. De verdachte heeft ten aanzien van de openbare en algemene scholen juist het ontbreken van een levensbeschouwelijke of godsdienstige richting aangevoerd als bezwaar tegen de richting van die scholen. Het hof merkt dan ook de bezwaren tegen de openbare en algemene scholen als richtingbezwaren aan als bedoeld in de leerplichtwet. Ten aanzien van de twee in Amsterdam gevestigde Joodse onderwijsinstellingen stelt het hof het volgende vast. Een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 kan slechts bestaan ten aanzien van scholen of onderwijsinstellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden. Uit een door de verdediging overlegde brief van de joodse basisschool Rosj Pina van 15 februari 2018 blijkt dat de zoon van de verdachte niet op die school zal worden toegelaten. Van de joodse school Cheider is bekend dat dit een zeer orthodoxe joodse school is. Nu de bedenkingen van de verdachte tegen deze school zich richten tegen de orthodox joodse oriëntatie van die school, is het hof van oordeel dat dit als richtingbezwaar als bedoeld in de leerplichtwet kan worden aangemerkt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de verdachte voldaan aan de voorwaarden om te zijn vrijgesteld van de verplichting te zorgen dat haar zoon als leerling van een school staat ingeschreven, terwijl zij hiervan tijdig, aan de juiste instantie kennis heeft gegeven. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van overtreding van artikel 2 van de Leerplichtwet
  4. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.L. Leenaers en mr. M.E. Hinskens - van Neck, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 mei
  5. Mrs. Iedema en Hinskens-van Neck zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.