afdeling strafrecht parketnummer: 23-003427-15 datum uitspraak: 15 mei 2018 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-654253-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2016 en 1 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij: primair:op of omstreeks 30 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet die [slachtoffer] eenmaal of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of een vinger en/of een hand, in elk geval in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden; subsidiair:op of omstreeks 30 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in de nek en/of een steekwond in een vinger/gescheurde pees van een vinger), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet die [slachtoffer] eenmaal of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of een vinger en/of een hand, in elk geval in het lichaam, te steken en/of te snijden; meer subsidiair:op of omstreeks 30 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] eenmaal of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek en/of een vinger en/of een hand, in elk geval in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Overwegingen hof Herkenning door aangeefster [slachtoffer] Het hof neemt als vaststaand aan dat de aangeefster [slachtoffer] op 30 september 2014 bij het Javaplein in Amsterdam door een man met een scherp voorwerp in haar vinger en nek is gestoken. De aangeefster heeft verklaard dat zij de verdachte herkende als de man die haar had gestoken. De aangeefster heeft voorts verklaard dat volgens haar de aanleiding een ruzie was tussen haar en de verdachte, waarbij de verdachte zou hebben gedreigd dat hij haar zou vermoorden. Zij kende de verdachte als [verdachte], iemand aan wie zij via haar zus was voorgesteld als een mogelijke huwelijkskandidaat. De aangeefster heeft verklaard dat de dader op een fiets was en heeft hem omschreven als een man van Egyptische afkomst, ongeveer 170 centimeter lang met een slank postuur, donkere ogen en donker krullend haar, met een zwarte jas, een capuchon met wit en zwart aan de rand en brildragend. Het hof merkt op dat de aangeefster in haar beschrijving van de dader kennelijk, bewust of onbewust, kenmerken noemt die zij aan de verdachte toeschrijft, waardoor het onduidelijk is in hoeverre het door haar gegeven signalement van de dader is ingekleurd door haar verwachting te worden lastig gevallen door de verdachte, die zij kende als [verdachte], een man van Egyptische afkomst met de hiervoor genoemde uiterlijke kenmerken. Meer specifiek lijkt de aangeefster de kenmerken ‘donker krullend haar’ en ‘brildragend’ te relateren aan hoe zij de verdachte kende en zich herinnerde, nu de aangeefster aan haar beschrijving van de haardracht van de dader – ‘donker krullend haar’ – toevoegt: ‘tenminste dat had hij in maart/april’ en het kenmerk ‘brildragend’ door geen enkele andere getuige is genoemd. Volgens de verklaring van de aangeefster had zij de verdachte in genoemde periode voor het laatst gezien. Dit zou erop kunnen duiden dat de aangeefster het signalement van de dader heeft gebaseerd op haar herinnering aan de verdachte. Herkenning door getuige [getuige] Het hof constateert dat de selectie van de voor de fotoconfrontatie gebruikte politiefoto’s niet lijkt te hebben plaatsgevonden op basis van de door de getuige [getuige] verstrekte signalementskenmerken van de vermoedelijke dader, maar dat de politie zich bij de selectie kennelijk heeft laten leiden door een eigen (vrije) interpretatie van het door de getuige gegeven signalement van de vermoedelijke dader. Het door de politie gebruikte signalement, te weten ‘getinte man met Noord-Afrikaans uiterlijk en rond de 30 jaar’ komt niet overeen met het door [getuige] gegeven signalement, te weten: ‘vermoedelijk Marokkaanse of Turkse man, slank postuur, geen gezichtsbeharing, leeftijd ongeveer 25 tot 30 jaar en gekleed in een donkerblauw joggingpak met capuchon.’ In de fotoreeks zijn foto’s van personen opgenomen die evident niet voldoen aan de door [getuige] genoemde signalementskenmerken, zoals postuur (slank), leeftijd (20 tot 30 in plaats van rond de 30) en vooral de gezichtsbeharing (de vermoedelijke dader had geen gezichtsbeharing volgens [getuige], terwijl de nummers 1, 2, 5 en 8 van de confrontatie baardgroei hebben (p. 169)). Voorts is van een ‘vermoedelijk Marokkaanse of Turkse man’ een ‘Noord-Afrikaanse man’ gemaakt en wordt gebruik gemaakt van een kenmerk dat niet door de getuige is genoemd, namelijk dat het om een getinte man zou gaan. Uit het proces-verbaal van de fotoconfrontatie (p. 168) blijkt voorts dat [getuige], terwijl hij de selectie van de foto’s bekeek, weliswaar uit eigen beweging de foto van de verdachte (nummer 5) heeft aangewezen, maar dat hij vervolgens heeft verklaard dat hij twijfelde tussen de foto’s 5 en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.