afdeling strafrecht parketnummer: 23-002350-17 datum uitspraak: 6 februari 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-650639-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 oktober 2017 en 23 januari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: primair:zij op of omstreeks 15 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer] (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal of meermalen in zijn rug, althans in zijn bovenlichaam heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden; subsidiair:zij op of omstreeks 15 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een steekwond in de rug en/of een klaplong, heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet (met kracht) eenmaal of meermalen met een mes, althans een scherp en of puntig voorwerp, in zijn rug, althans in zijn bovenlichaam te steken en/of te prikken en/of te snijden; meer subsidiair:zij op of omstreeks 15 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, stekende bewegingen heeft gemaakt naar en/of in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, eenmaal of meermalen in de rug, althans in het bovenlichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd. Bewijsoverweging De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu zij geen opzet had op de dood van de aangever en evenmin op het aan hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft met een mes in het bovenlichaam, te weten in de rechterzijde van de rug, onder het schouderblad, van de aangever gestoken. Daardoor is bij hem een klaplong ontstaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam diverse kwetsbare en vitale organen bevinden. De kans dat een persoon hieraan zou kunnen komen te overlijden is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten, de aard van het mes waarmee de verdachte heeft gestoken – volgens de verklaring van de verdachte: een kleinere versie van een mes waar je stokbrood mee snijdt – daarbij mede in aanmerking genomen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft de verdachte dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever hierdoor zou kunnen overlijden. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is niet gebleken. Zij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman. Voorwaardelijk verzoek De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een deskundige met betrekking tot hetgeen te zien is op de ter zitting afgespeelde beelden, indien het hof vaststelt dat de door het hof waargenomen schittering ter hoogte van de rechterhand van de verdachte, de schittering van een mes betreft. Nu het hof dit onderdeel van de vertoonde beelden niet voor het bewijs gebruikt, is aan de voorwaarde van het verzoek niet voldaan en kan het verzoek verder onbesproken blijven. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: primair:zij op 15 oktober 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer] met een mes in zijn rug heeft gestoken. Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezen verklaarde levert op: poging tot doodslag. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft bepleit dat de verdachte niet strafbaar is, nu aan haar een beroep toekomt op noodweerexces. De verdachte heeft een gedraging verricht in de situatie en op een tijdstip waarop voor haar de noodzaak bestond tot verdediging van haar eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Zij is daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging, verder gegaan dan geboden was. De verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman. Het hof overweegt als volgt. Feitelijke toedracht Op grond van het dossier en hetgeen op de zitting naar voren is gekomen, zijn de volgende feiten aannemelijk geworden. Op 15 oktober 2016 hebben de verdachte en de aangever onenigheid gehad via sociale media. Zij hebben vervolgens afgesproken bij het metrostation Reigersbos in Amsterdam. De verdachte heeft een mes meegenomen naar die ontmoeting. Naast het metrostationsgebouw heeft een discussie plaatsgevonden tussen de aangever en de verdachte. Aangever is weggelopen en de verdachte heeft haar middelvinger naar hem opgestoken. Direct daarop is de aangever op de verdachte afgelopen en hij heeft haar met de vlakke hand een klap in haar gezicht gegeven. Het hof gaat er niet van uit dat de aangever voorafgaand aan die eerste klap al heeft gezien dat de verdachte een mes bij zich had. De aangever heeft hierover wisselend verklaard en uit de camerabeelden van het incident blijkt niet dat het mes al zichtbaar is geweest. Direct na deze klap is de aangever naar achteren gesprongen, naar achteren gelopen en heeft hij geprobeerd de afstand tussen hem en de verdachte te vergroten. De verdachte is vervolgens op de aangever afgelopen, terwijl de aangever steeds verder achteruit liep. Naar het oordeel van het hof staat vast dat de aangever na het geven van de eerste klap heeft gezien dat de verdachte een mes bij zich had. Zijn verklaring, dat hij het mes zag nadat hij haar had geslagen, vindt steun in de plotselinge terugtrekkende beweging (“sprong”) die de aangever, gelet op de beelden, heeft gemaakt. Voor die terugtrekkende beweging is bovendien geen andere verklaring aannemelijk geworden dan dat hij vlak voor hij wegsprong het mes had gezien. Daarop is een worsteling gevolgd, waarbij de verdachte de aangever uiteindelijk in een nekklem heeft gehouden. De verdachte heeft vervolgens de aangever met een mes in zijn rug gestoken. Juridisch oordeel Naar het oordeel van het hof kan de klap van de aangever worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Het hof acht verdediging daartegen echter niet noodzakelijk. De verdachte had zich niet alleen aan de aanranding kunnen, maar ook moeten onttrekken, nu daartoe een reële en redelijke mogelijkheid bestond, want zij bevond zich in een naar vrijwel alle kanten open ruimte buiten het metrostation. Bovendien is niet gebleken dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden moest vrezen voor verdere agressie van de aangever, nadat hij haar de klap had gegeven, nu zij daar zelf bij de politie niet over heeft verklaard en daarvan ook overigens niet is gebleken uit het dossier. De daarop volgende gedragingen van de verdachte kunnen, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen, maar veeleer als aanvallend. Met name heeft het hof daarbij acht geslagen op het feit dat de verdachte de aangever naar achteren heeft gedreven met een mes, dat zij vervolgens de aangever in een nekklem heeft gehouden en hem zeer kort daarop heeft gestoken. Dit betekent, naar het oordeel van het hof, dat er voorafgaande aan de geweldshandelingen van de verdachte geen sprake was geweest van een noodweersituatie, nu niet aan de subsidiariteitseis is voldaan. Daarmee dient ook het beroep op noodweerexces te worden verworpen. Ook anderszins is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie van 50 dagen, met aftrek van voorarrest, en een geheel voorwaardelijke werkstraf van 100 uren met als bijzondere voorwaarde een behandelverplichting. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Zij heeft, na een woordenwisseling via sociale media, afgesproken met het slachtoffer. Ze heeft een mes meegenomen naar de ontmoeting. De ontmoeting was al vreedzaam geëindigd toen de verdachte haar middelvinger naar het slachtoffer opstak, waarna een tweede confrontatie volgde. Die liep uiteindelijk uit op een handgemeen, waarbij zij het slachtoffer in de rug heeft gestoken. Het slachtoffer heeft hierdoor een klaplong opgelopen en heeft een tijd ernstig zuurstoftekort gehad. Dat de verdachte het slachtoffer niet dodelijk heeft getroffen, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte te danken is. Het slachtoffer heeft bijna een week in het ziekenhuis moeten verblijven en heeft daarna nog enkele weken thuis moeten herstellen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 januari 2018 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld en ook sinds dit feit niet meer met politie en justitie in aanraking geweest. Het hof merkt haar daarom aan als een zogeheten first offender. Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van de volgende rapporten, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt: - een psychologisch Pro Justitia rapport opgemaakt door drs. [naam 1], gz-psycholoog, op 15 maart 2017, - een psychiatrisch Pro Justitia rapport opgemaakt door [naam 2], kinder- en jeugdpsychiater, op 15 maart 2017, - een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) opgemaakt op 18 april 2017, - een rapport van Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), opgemaakt ten behoeve van de beoordeling van de voorlopige hechtenis op 23 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.