afdeling strafrecht parketnummer: 23-001067-17 datum uitspraak: 15 februari 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-261800-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 13 november 2016 te Hoorn [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] (meermalen) in het gezicht te slaan en/of zijn keel dicht te knijpen en/of tegen een auto aan te duwen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de kinderrechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 13 november 2016 te Hoorn [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] meermalen in het gezicht te slaan en zijn keel dicht te knijpen en tegen een auto aan te duwen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een leerstraf Tools4U van 20 uur. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een leerstraf van 20 uren en een werkstraf van 80 uren, waarvan 30 uren voorwaardelijk. De raadsman heeft verzocht dezelfde straf op te leggen als de kinderrechter. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door een leeftijdgenoot in zijn gezicht te slaan, zijn keel dicht te knijpen en hem tegen een auto aan te duwen. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de medische stukken en waarnemingen van een verbalisant blijkt er sprake is van fors letsel, dat onder meer heeft bestaan uit striemen in de hals, bloeduitstortingen rond beide oogkassen (‘blauwe ogen’) en bloeduitstortingen in het gelaat, een neusfractuur en een ‘fractuur lamina papyracea’ (het hof begrijpt: een oogkasfractuur). De aangever heeft de periode na de mishandeling nog veel last gehad van het letsel, waarbij hij last had van hoofdpijn en concentratieproblemen. Het hof neemt het de verdachte ernstig kwalijk dat hij de confrontatie heeft opgezocht en de aangever met ernstig letsel heeft opgezadeld. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 januari 2018 heeft hij eerder een transactie betaald ter zake van geweld in het openbaar vervoer. Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op een de verdachte betreffend rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 15 februari 2017 waarin de Raad adviseert in het geval van strafoplegging aan de verdachte een taakstraf bestaande uit de leerstraf Tools4U op te leggen. Het hof acht die leerstraf nuttig voor de verdachte en zal deze opleggen. In het voordeel van de verdachte houdt het hof er rekening mee dat hij direct de ernst van het feit heeft ingezien en openheid van zaken heeft gegeven. Ook heeft hij oprecht spijt betuigd. Uit voornoemd advies van de Raad blijkt dat het goed gaat met de verdachte en dat er sprake is van een laag recidiverisico. Dit vindt bevestiging in voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie waaruit volgt dat de verdachte sinds het onderhavige feit niet meer met politie en justitie in aanraking geweest is. Om die reden acht het hof, anders dan de advocaat-generaal, een voorwaardelijk strafdeel niet noodzakelijk. Wel is het hof – met de advocaat-generaal en in afwijking van de kinderrechter – van oordeel dat een werkstraf passend is, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, waarbij het hof mede de ernst van het letsel in aanmerking neemt en het gegeven dat de verdachte zelf de confrontatie heeft opgezocht. Het hof acht dan ook, alles afwegende, een leerstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.328,05, bestaande uit € 2.800,00 immateriële schade en € 528,05 materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 438,05, bestaande uit € 400,00 immateriële schade en € 38,05 materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.