GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 17/00272 5 juni 2018 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [woonplaats], belanghebbende, tegen de uitspraak van 10 april 2017 in de zaak met kenmerk 16/3718 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Medemblik, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) met dagtekening 20 februari 2016 de waarde van de onroerende zaak [het woz-object] (hierna: het WOZ-object) voor het jaar 2016 vastgesteld op € 670.000. Tegelijk is de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) voor het jaar 2016 bekendgemaakt. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 17 juni 2016 de vastgestelde waarde en de daarop gebaseerde aanslag OZB gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 10 april 2017 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak op 18 mei 2017 bij het Hof hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Verschenen is [echtgenoot belanghebbende] (echtgenoot van belanghebbende). Namens de heffingsambtenaar is verschenen. T. Medemblik. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten Het Hof ziet reden de feiten zelfstandig vast te stellen. 2.1. [Y] (dochter van belanghebbende) is eigenaar van het WOZ-object dat bestaat uit de volgende kadastrale objecten: perceelnummers [1], [2] en [3]. De percelen [2] en [3] grenzen aan elkaar en aan perceel [4] waarvan de dochter van belanghebbende ook de eigenaar is. Perceel [4] grenst aan perceel [1] dat op perceel [4] is gelegen. 2.2. Op perceelnummer [1] (met een oppervlakte van 3.021 m2) is een recht van opstal gevestigd ten gunste van belanghebbende en zijn echtgenote [echtgenoot belanghebbende]. In 2006 hebben belanghebbende en zijn echtgenote op dit perceel een woonhuis (met een inhoud van 1.100 m3) met garage (met een inhoud van 250 m3), een hobbykas (met een oppervlakte van 60 m2) en een buitenbak annex manege (met een oppervlakte van 800 m2) gebouwd. 2.3. Op perceelnummers [2] en [3] (met een totale oppervlakte van 24.629 m2) is ten gunste van belanghebbende en zijn echtgenote een recht van vruchtgebruik gevestigd. 2.4. Op perceelnummers [2] en [3] rust een agrarische bestemming. Deze percelen werden voorheen gebruikt voor de bloembollenteelt in het kader van de onderneming van belanghebbende. Na de staking van de onderneming liggen deze percelen braak; behoudens een klein deel van perceel [3] dat door belanghebbende hobbymatig wordt gebruikt voor het kweken van planten die hij verhandelt. 2.5. In het taxatieverslag ter bepaling van de waarde van het WOZ-object voor 2016 zijn door de heffingsambtenaar de volgende gegevens van vergelijkingsobjecten opgenomen: “Adres bouwjaar opp. inhoud verkoopprijs verkoopdatum [object 1] 2006 555 m² 815 m³ € 538.726 30 juni 2015 [object 2] 2005 595 m² 645 m³ € 420.000 2 juni 2014 [object 3] 1990 3705 m² 1500 m³ € 643.000 23 mei 2014” 2.6. In zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar voorts nog de volgende tabel opgenomen ter onderbouwing die waardebepaling: “Grond 3.021 m² € 45,- per m² € 135.945,- Woning 1.100 m³ € 335,- per m³ € 368.500,- Garage 250 m³ € 110,0 per m³ € 27.500,- Buitenbak 800 m² € 25,- € 20.000,- Extra grond 24.629 m² € 4,80 € 118.219 , - Hobbykas 60 m³ € 0,- € 0,- Totaal € 670.164” 3Geschil in hoger beroep 3.1. In hoger beroep is – evenals bij de rechtbank – in geschil: of het WOZ-object op een juiste wijze is afgebakend; of de voor het belastingjaar 2016 (met waardepeildatum 1 januari 2015) vastgestelde waarde van het WOZ-object niet te hoog is vastgesteld. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal. 4Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft daartoe – voor zover in hoger beroep van belang – als volgt overwogen en beslist: “Afbakening 11. Vaststaat dat eiser van de percelen [2], [3] en [1] de genothebbende krachtens beperkt zakelijk recht is, te weten het recht van vruchtgebruik en het recht van opstal. Voorts moet geoordeeld worden dat deze drie percelen sinds jaren bij eiser in gebruik zijn en beoordeeld naar de omstandigheden bij elkaar behoren en dat dit ook het geval was op 1 januari 2015. De rechtbank wijst er daarbij op dat de staking van de onderneming van eiser er niet toe heeft geleid dat eiser deze percelen niet langer feitelijk in gebruik heeft. Eiser gebruikt een klein deel van het perceel [3] voor het hobbymatig kweken van planten die hij vervolgens verhandelt zonder dat dit als een bedrijfsmatig exploitatie van cultuurgrond kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat eiser de percelen voor het overige deel braak laat liggen brengt niet mee dat het feitelijk gebruik is beëindigd. Gelet op het bepaalde in artikel 16, aanhef en onderdeel d van de Wet WOZ heeft verweerder de drie percelen onder voormelde omstandigheden terecht als één onroerende zaak in aanmerking genomen. Waardebepaling 12. Voor de bepaling van de waarde van de onroerende zaak komt geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de percelen niet bij eiser in eigendom zijn. Artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bepaalt immers dat ‘de waarde van een onroerende zaak [wordt] bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak (…) in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen’. Dit brengt mee dat verweerder bij de waardebepaling terecht geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de percelen bezwaard zijn met het recht van vruchtgebruik en het recht van opstal. 13. Als de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ te gelden waarde is de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. 14. Verweerder heeft ter onderbouwing van de vastgestelde waarde verwezen naar de verkopen van drie woningen, waarvan twee woningen nagenoeg van hetzelfde bouwjaar zijn als (het WOZ-object) doch een aanzienlijk kleinere inhoud en oppervlakte hebben. 15. De derde woning is van het bouwjaar 1990, doch heeft een grotere inhoud dan (het WOZ-object) maar ook daarvan is de oppervlakte van de grond kleiner dan die bij (het WOZ-object). 16. Gelet op de voor deze drie woningen betaalde prijzen is aannemelijk dat de waarde van bij (het WOZ-object) niet te hoog is vastgesteld. 17. Hetgeen eiser hiertegen heeft ingebracht kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat de communicatie tussen eiser en verweerder niet naar de wens van eiser is verlopen, kan niet het oordeel leiden dat de waarde van het (WOZ-object) te hoog is vastgesteld. ” 5Beoordeling van het geschil Objectafbakening 5.1. Artikel 16 van de Wet WOZ luidt – voor zover alhier van belang - als volgt: “Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt: (…) d. een samenstel van twee of meer (…) eigendommen (….) die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;” 5.2. Vast staat dat belanghebbende van de percelen [2], [3] en [1] de genothebbende krachtens beperkt zakelijk recht is, te weten het recht van vruchtgebruik en het recht van opstal. De percelen zijn derhalve bij dezelfde belastingplichtige in gebruik. Hierbij neemt het Hof, gelijk de Rechtbank, in aanmerking de omstandigheid dat de staking van de onderneming van belanghebbende er niet toe heeft geleid dat belanghebbende de percelen [2] en [3] niet langer feitelijk in gebruik heeft. Belanghebbende gebruikt een klein gedeelte van het perceel [3] voor het hobbymatig kweken van planten die hij vervolgens verhandelt zonder dat dit als een bedrijfsmatig exploitatie van cultuurgrond kan worden aangemerkt. Het gegeven dat belanghebbende de percelen [2] en [3] voor het overige braak laat liggen maakt echter geenszins, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, dat het feitelijk gebruik door belanghebbende van deze percelen daarmee is beëindigd. 5.3. Voor een zogenoemd samenstel van eigendommen is voorts noodzakelijk dat een zekere uit de omstandigheden voortvloeiende samenhang tussen deze eigendommen aanwezig is. De overgelegde foto’s, plattegronden en verklaringen van belanghebbende wijzen naar het oordeel van het Hof in voldoende mate op een zodanige samenhang. Hierbij neemt het Hof in aanmerking de omstandigheid dat (zie hiervoor onder 2.1) (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.