GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummers: 200.222.774/01 KG en 200.227.317/01 KG zaak/rolnummers rechtbank Amsterdam: C/13/631067 KG ZA 17-683 en C/13/635256/ KG ZA 17-1023 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 juni 2018 inzake [appellante sub 1] en [appellant sub 2] , beiden wonend te [woonplaats] , appellanten, advocaat: mr. S. Guman te Amsterdam, tegen WONINGSTICHTING EIGEN HAARD, gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. M.G. Blokziel te Almere. De partijen worden hierna [appellante sub 1] en [appellant sub 2] respectievelijk Eigen Haard genoemd. 1Het geding in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.222.774/01: [appellante sub 1] en [appellant sub 2] zijn bij dagvaarding van 29 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2017, in kort geding onder zaak-/rolnummer C/13/631067/KG ZA 17-683 gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [appellante sub 1] en [appellant sub 2] als gedaagden. De appeldagvaarding bevat de grief. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben op de rol geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding en producties in het geding gebracht. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord; - akte zijdens Eigen Haard, met producties; - antwoordakte zijdens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] , met producties. in de zaak met zaaknummer 200.227.317/01: [appellante sub 1] en [appellant sub 2] zijn bij dagvaarding van 2 november 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2017, in kort geding onder zaak-/rolnummer C/13/635256/KG ZA 17-1023 gewezen tussen Eigen Haard als eiseres en [appellante sub 1] en [appellant sub 2] als gedaagden. De appeldagvaarding bevat de grief. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben op de rol geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding en producties in het geding gebracht. Eigen Haard heeft vervolgens een memorie van antwoord met producties ingediend. in beide zaken: Partijen hebben beide zaken op 26 april 2018 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Voor [appellante sub 1] en [appellant sub 2] heeft ook mr. H.J.J. Hendriksen, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen, Eigen Haard zal verbieden de vonnissen ten uitvoer te leggen, de tenuitvoerlegging zal schorsen en het hoger beroep zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. Eigen Haard heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van de - eventuele - incidentele vorderingen, met beslissing over de proceskosten, inclusief de nakosten en met rente. 2Feiten in beide zaken: De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 1 augustus 2017 onder 2.1 tot en en met 2.11 en in het vonnis van 24 oktober 2017 onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten opgesomd die bij de beoordeling van de zaken tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. 3Beoordeling in beide zaken: 3.1 Het gaat in deze zaken, samengevat, om het volgende. 3.1.1 [appellante sub 1] en [appellant sub 2] huren sinds 1 maart 2005 van (de rechtsvoorgangster van) Eigen Haard een woning in Amsterdam. In artikel 10 van de op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde Algemene Bepalingen is bedongen dat de huurder ervoor zal zorgen dat aan omwonenden geen overlast of hinder zal worden toegebracht. 3.1.2 Naar aanleiding van een klacht van de wijkbeheerder over al langere tijd bestaande en door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] veroorzaakte overlast, heeft Eigen Haard een buurtonderzoek gestart. Tussen 30 maart en 4 april 2017 heeft Eigen Haard acht schriftelijke verklaringen ontvangen van omwonenden, waarin onder meer is gemeld dat [appellante sub 1] schreeuwt en scheldt en vanuit het gehuurde voorwerpen zoals kleding en glaswerk naar beneden gooit. 3.1.3 Bij het bestreden vonnis van 1 augustus 2017 is op vordering van Eigen Haard aan [appellante sub 1] en [appellant sub 2] een gedragsaanwijzing opgelegd, erin bestaande dat hun is verboden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= per overtreding, om voorwerpen te gooien vanuit het gehuurde, geluidsoverlast te veroorzaken en personen in en om de woning te bedreigen en/of uit te schelden. 3.1.4 Op 30 augustus 2017 heeft Eigen Haard weer een melding van overlast ontvangen. 3.1.5 Op 4 september 2017 heeft de gerechtsdeurwaarder in opdracht van Eigen Haard het vonnis van 1 augustus 2017 betekend en de dwangsommen aangezegd. 3.1.6 Op 11 september 2017 heeft Eigen Haard weer een melding van overlast ontvangen. Gemeld werd dat [appellante sub 1] weer glas en voedsel naar beneden zou gooien. [appellante sub 1] is die dag met de psycholance naar een GGZ-instelling gebracht, alwaar zij drie weken heeft verbleven op grond van een inbewaringstelling. 3.1.7 Vanwege laatstgenoemd incident heeft Eigen Haard op 20 september 2017 aanspraak gemaakt op betaling van € 250,= aan verbeurde dwangsom, welk bedrag door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] is voldaan. 3.1.8 Bij dagvaarding van 11 september 2017 heeft Eigen Haard gevorderd dat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] in kort geding worden veroordeeld tot ontruiming. Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] structureel overlast veroorzaken voor hun omwonenden en zo de woonsfeer in de buurt verzieken. 3.1.9 In het kader van hun verweer tegen de vordering tot ontruiming hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] diverse verklaring overgelegd van omwonenden, inhoudende dat zij geen overlast ondervinden van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en dat de drie klagende buren ruziezoekers zijn. 3.1.10 Bij het bestreden vonnis van 24 oktober 2017 heeft de voorzieningenrechter de vordering tot ontruiming toegewezen. 3.1.11 Eigen Haard heeft vervolgens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] een andere woning aangeboden waarvan de huurovereenkomst de eerste twee jaar op naam van een hulpverlenende instantie zou worden gezet. Nadat [appellante sub 1] en [appellant sub 2] op 30 oktober 2017 de termijn voor het aanvaarden van dat aanbod ongebruikt hadden laten verstrijken, heeft Eigen Haard het gehuurde op 14 november 2017 laten ontruimen. 3.2 Het hof stelt het volgende voorop. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] hebben in hoger beroep zowel vernietiging van de beide vonnissen gevorderd, als een verbod op de executie daarvan en schorsing van de tenuitvoerlegging. Nu dit arrest een eindarrest is in beide korte gedingen bestaat geen grond meer voor een voorlopige maatregel als een verbod van executie of schorsing van de tenuitvoerlegging. Die vorderingen zullen daarom worden afgewezen. 3.3 In dit hoger beroep moet de vraag worden beantwoord of er grond bestaat voor de opgelegde gedragsaanwijzing en de veroordeling tot ontruiming. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] stellen zich op het standpunt dat de gedragsaanwijzing en de veroordeling tot ontruiming beide zijn gebaseerd op aannames die ten onrechte als feiten worden gebracht. 3.4 In het bestreden vonnis van 1 augustus 2017 is onder de feiten uitgebreid geciteerd uit de inhoud van de hiervoor onder 3.1.2 aangeduide acht schriftelijke verklaringen van omwonenden. Het hof verwijst daarnaar. In de schriftelijke verklaringen is samengevat, melding gemaakt van langdurige overlast in de vorm van schreeuwen, gillen en zingen op het balkon, spullen naar beneden gooien, in het bijzonder glaswerk, kleding, bloempotten en eten, bedreigingen, schelden en ’s nachts gillend uit het raam hangen. Deze klachten hebben alle betrekking op [appellante sub 1] . Incidenteel is ook geklaagd over schelden en lastig vallen door [appellant sub 2] . De verklaringen met betrekking tot [appellante sub 1] komen in hoge mate met elkaar overeen en schetsen tezamen een duidelijk beeld van telkens terugkerend wangedrag dat storend is voor de woonomgeving. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan het waarheidsgehalte van deze verklaringen. 3.5 Aan de geloofwaardigheid van de acht verklaringen wordt geen afbreuk gedaan door de hiervoor onder 3.1.9 aangeduide verklaringen, waarin andere buurtgenoten hebben geschreven dat zij geen overlast ondervinden. Deze verklaringen gaan bijna zonder uitzondering alleen over [appellant sub 2] , die door velen wordt omschreven als rustig. Geen van de verklaringen houdt echter in dat hetzelfde geldt voor [appellante sub 1] , wier gedrag nu juist de aanleiding lijkt te zijn geweest voor het optreden van Eigen Haard. De in meerdere van deze verklaringen gedane uitspraak dat drie met name genoemde klaagsters “ruziezoekers” zijn, wekt door zijn gelijkluidendheid de indruk dat de verklaringen voorgekookt zijn. Daarbij komt dat niet slechts door de drie steeds weer genoemde buurvrouwen is geklaagd, maar ook door vijf andere buren. 3.6 Voorts kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat zich ook op 30 augustus 2017, dus na het vonnis van 1 augustus 2017, een incident heeft voorgedaan, waarvan verslag is gedaan door een van de drie hiervoor genoemde buurvrouwen en een andere buurvrouw. Melding is gemaakt van schelden en het naar beneden gooien van een fles. Dit incident is aanleiding geweest voor Eigen Haar om het vonnis van 1 augustus 2017 te betekenen. 3.7 Vervolgens heeft op 11 september 2017 weer een incident plaatsgevonden, dat in een politiemutatie als volgt is omschreven: “De bewoonster van (…) zorgt weer voor overlast en is op dit moment weer agressief naar andere buurtbewoners. Zij heeft zojuist een voorbijganger op een scootmobiel met een paraplu geslagen”. Naar aanleiding van deze gebeurtenis heeft [appellante sub 1] drie weken in een GGZ-instelling verbleven. In hoger beroep hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] handgeschreven verklaringen overgelegd van, kennelijk, medewerkers van Pantar, inhoudend dat zij nooit ruzie met [appellante sub 1] hebben gehad. Uit het feit dat een van de verklaringen inhoudt dat de desbetreffende persoon niet door [appellante sub 1] is geslagen met een paraplu, begrijpt het hof dat deze verklaringen dienen ter betwisting van hetgeen Eigen Haard heeft gesteld over de gebeurtenissen op 11 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.