afdeling strafrecht parketnummer: 23-001939-15 datum uitspraak: 6 april 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-810163-13 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, door de raadsman ter terechtzitting opgegeven adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: primair hij op of omstreeks 13 december 2013, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal 850.005 euro, althans een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; subsidiair hij op of omstreeks 13 december 2013 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, als degene die uit hoofde van artikel 3 Verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van Liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, verplicht was tot het doen van aangifte, deze aangifte niet, onvolledig of onjuist heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte toen en daar een geldbedrag van (ongeveer) € 850.150,-, althans een geldbedrag met een waarde hoger dan € 10.000 euro, voorhanden gehad en/of zich op de luchthaven Schiphol begeven naar Gate E08 waar de vlucht (CZ308) naar Guangzhou in China zou vertrekken en/of zich gemeld bij de daar aanwezige security (die op dat moment was belast met de (veiligheids)controle van passagiers (reizende met vlucht CZ308) naar Guangzhou (China)), en/of desgevraagd tegen douanebeambten gezegd dat hij € 7.000,= bij zich had, zonder genoemde aangifte te doen; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde witwassen. Hij heeft daartoe ten eerste aangevoerd dat geen sprake is van een redelijk vermoeden van witwassen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen die de verdachte bij de FIOD heeft afgelegd moeten worden uitgesloten van het bewijs, dan wel dat bij de beoordeling van zijn verklaringen alleen mag worden uitgegaan van de kern daarvan, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verklaringen correct in de processen-verbaal zijn weergegeven nu deze niet (met behulp van een tolk) aan de verdachte zijn voorgehouden. Op grond van de (kern van de) verklaringen van de verdachte moet vervolgens worden geconcludeerd dat het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag aantoonbaar een legale herkomst heeft, aldus de raadsman. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Ten aanzien van de bij de FIOD afgelegde verklaringen De verdachte is op 14 december 2013 verhoord door de FIOD. Blijkens het proces-verbaal van verhoor van 14 december 2013 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft dit verhoor plaatsgevonden met behulp van een tolk. Bij dit verhoor is geen advocaat aanwezig geweest. De verdachte heeft tijdens het verhoor te kennen gegeven dat hij zijn verklaring niet wil ondertekenen zolang zijn advocaat hem niet heeft gelezen. Op 16 december 2013 is de verdachte nogmaals verhoord door de FIOD. Uit het proces-verbaal van verhoor van 16 december 2013 van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] blijkt dat dit verhoor eveneens heeft plaatsgevonden met behulp van een tolk en dat de verdachte tijdens dit verhoor, vanaf ongeveer een uur na aanvang, is bijgestaan door een advocaat. Het hof stelt vast dat de verdachte tijdens dit verhoor een verklaring heeft afgelegd over onderwerpen die ook bij het vorige verhoor aan de orde zijn geweest. De verdachte heeft zijn verklaring ondertekend. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid, dat uit de processen-verbaal van verhoor niet blijkt dat de verklaringen aan de verdachte zijn voorgehouden, geen belemmering vormt om deze verklaringen tot het bewijs te bezigen. De verdachte, die tijdens het tweede verhoor is bevraagd over dezelfde onderwerpen als waarover hij eerder heeft verklaard, is tijdens dit tweede verhoor bijgestaan door een advocaat en de verdachte is tijdens dit verhoor niet teruggekomen op zijn eerdere verklaring. Daar komt bij dat eerst ter terechtzitting in hoger beroep door de huidige raadsman van de verdachte wordt betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de opgetekende verklaringen van de verdachte een juiste en volledige weergave betreffen, terwijl de advocaat die aanwezig was bij het tweede verhoor van de verdachte destijds op geen enkel moment naar voren heeft gebracht dat de eerdere, dan wel de op dat moment afgelegde verklaring van de verdachte onjuist is weergegeven in het proces-verbaal. Op welke punten deze verklaringen dan onjuist zouden zijn heeft de raadsman bovendien niet nader gespecificeerd. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de verdachte na de twee verhoren bij de FIOD niet meer in de gelegenheid is geweest een verklaring af te leggen, gaat dit verweer niet op nu de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep had kunnen verschijnen om een verklaring af te leggen. Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van het tenlastegelegde witwassen Het hof stelt het volgende voorop. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de gelden. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve legale herkomst van het voorwerp. Vermoeden van witwassen Het hof stelt vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat het geldbedrag dat de verdachte op 13 december 2013 te Schiphol bij zich had uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof is vervolgens van oordeel dat op grond van de navolgende feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen is gerechtvaardigd. Op 13 december 2013 te Schiphol is tijdens de controle van de ruimbagage van de verdachte een geldbedrag van meer dan € 10.000,- aangetroffen. De verdachte heeft desgevraagd tegen verbalisanten van de Douane verklaard dat hij een geldbedrag van € 7.000,- bij zich had. De verbalisanten hebben aan de verdachte een folder overhandigd in de Chinese taal waarin staat omschreven dat passagiers die de Europese Unie verlaten met liquide middelen van € 10.000,- of meer, daarvan aangifte moeten doen bij de Douane. De verdachte heeft vervolgens, daarnaar gevraagd, verklaard dat hij slechts € 7.000,- bij zich had en dat hij geen geld vervoerde in zijn ruimbagage. De Douane heeft daarop de bagage van de verdachte gecontroleerd. In de trolley van de verdachte, die hij als handbagage met zich meevoerde, zaten twee aktetassen en een handtas. In de zijwanden van beide aktetassen hebben verbalisanten, die daarvoor de zijwanden van de aktetassen hebben moeten opensnijden, diverse biljetten van € 500 aangetroffen. In de handtas hebben verbalisanten een witte envelop met diverse bankbiljetten aangetroffen. Vervolgens hebben de verbalisanten de ruimbagage van de verdachte gecontroleerd. In de koffer die de verdachte als ruimbagage met zich meevoerde zaten ook twee aktetassen, die eveneens in de zijwanden meerdere bankbiljetten bevatten. Ook deze zijwanden moesten worden opengesneden. De verdachte heeft, nadat hij met deze vondsten is geconfronteerd en hem de cautie is gegeven, verklaard dat hij op de hoogte is van de regeling met betrekking tot de verplichting tot aangifte van liquide middelen indien deze meer bedragen dan € 10.000,- en dat hij in eerste instantie heeft verklaard dat hij maar € 7.000,- bij zich had, omdat hij bang was dat hij gecontroleerd zou worden. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij ongeveer € 800.000,- vervoerde, dat hem dat is verteld en dat hij het geld niet heeft geteld. De volgende bedragen – in totaal € 850.150,- – zijn onder de verdachte aangetroffen: 1637 biljetten van € 500 69 biljetten van € 200 155 biljetten van € 100 47 biljetten van € 50 Het fysiek vervoeren van grote geldbedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich mee. Uit de verklaring die de verdachte tegenover de Douane heeft afgelegd, leidt het hof af dat het kennelijk de bedoeling was van de verdachte om de verplichting tot aangifte van liquide middelen te negeren en deze meldgrens te ontduiken. Op grond hiervan en mede gelet op de wijze waarop de verdachte het geld vervoerde, het feit dat het geld ongeteld werd aangeleverd en het feit dat het geldbedrag voor het overgrote deel bestond uit met name in het criminele circuit gebruikte coupures van € 500,-, is het hof van oordeel dat het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij voor de herkomst van het geld een verklaring geeft die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken. Verklaringen verdachte De verdachte heeft wisselend verklaard over de herkomst van het geld, maar heeft uiteindelijk verklaard dat het geldbedrag voor een deel zijn eigen geld betreft en voor het overige deel afkomstig is van meerdere personen. Zijn verklaring komt – kort samengevat – op het volgende neer: € 30.000,- betreft casinowinst van de afgelopen twee maanden uit een casino in Porto/Portugal; € 80.000,- is afkomstig van een vrouw uit Portugal, die nog geld schuldig was aan [naam 1] – een vriend van de verdachte in China. De verdachte kent de vrouw niet. Ze stond ineens voor de deur van zijn winkel; € 90.000,- heeft de verdachte ontvangen van zijn zwager [naam 2] en is bestemd voor ziekenhuisrekeningen van de vader van zijn zwager die in China in het ziekenhuis ligt. Zijn zwager heeft hem dit geld een maand geleden gegeven in coupures van €
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.