beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummers : 200.227.730/01 GDW en 200.228.506/01 GDW nummer eerste aanleg : C/13/626208/ DW RK 17/335 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 19 juni 2018 inzake 200.227.730/01 GDW mr. [naam], tot 1 januari 2018 gerechtsdeurwaarder te [plaats], appellant, tegen [naam], wonend te [plaats], geïntimeerde, en inzake 200.228.506/01 GDW [naam], wonend te [plaats], appellant, tegen mr. [naam], tot 1 januari 2018 gerechtsdeurwaarder te [plaats], geïntimeerde. 1Het geding in hoger beroep In de zaak met zaaknummer 200.227.730/01 GDW 1.1. Appellant (hierna: de gerechtsdeurwaarder) heeft op 21 november 2017 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 20 oktober 2017. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van geïntimeerde (hierna: klager) gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het gegronde deel van de klacht aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van een geldboete van € 3.500,- opgelegd, met aanzegging dat de kamer de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder de boete moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per aangetekende brief aan de gerechtsdeurwaarder zal mededelen. 1.2. Klager heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid een verweerschrift bij het hof in te dienen. In de zaak met zaaknummer 200.228.506/01 GDW 1.3. Klager heeft op 30 november 2017 een beroepschrift ingediend tegen de hiervoor genoemde beslissing van de kamer. 1.4. De gerechtsdeurwaarder heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid een verweerschrift bij het hof in te dienen. In beide zaken 1.5. De gerechtsdeurwaarder heeft op 29 maart 2018 nog aanvullende producties bij het hof ingediend. 1.6. Beide zaken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 5 april 2018. De gerechtsdeurwaarder en klager zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. Ter zitting heeft het hof meegedeeld het beroepschrift van klager in de zaak met zaaknummer 200.228.506/01 GDW te zullen beschouwen als verweerschrift in de zaak met zaaknummer 200.227.730/01 GDW. Desgevraagd heeft klager ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen toelating van de buiten de daarvoor gestelde termijn ingediende aanvullende producties van de gerechtsdeurwaarder. Het hof zal deze producties derhalve in de beoordeling betrekken. 2Stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3Feiten 3.1. Het hof verwijst in beide zaken voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Voor zover partijen tegen de vaststelling van die feiten bezwaar hebben gemaakt, zal het hof hiermee (voor zover relevant) bij de beoordeling rekening houden. 3.2. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. 3.2.1. De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van een op 8 maart 2012 gewezen vonnis, waarbij klager is veroordeeld tot betaling van € 3.375,- met rente. Op 14 maart 2012 is het vonnis aan klager betekend. 3.2.2. Wegens het uitblijven van betaling heeft de gerechtsdeurwaarder in opdracht van zijn opdrachtgever ten laste van klager op 20 december 2016 executoriaal derdenbeslag gelegd onder [naam BV] (hierna: de vennootschap). Dit beslag heeft doel getroffen. 3.2.3. Op 1 februari 2017 heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder bij de kamer met betrekking tot voormelde beslaglegging. In de kern verweet klager de gerechtsdeurwaarder dat het beslag ten onrechte was gelegd en dat ten onrechte geen rekening was gehouden met de beslagvrije voet. 3.2.4. De gerechtsdeurwaarder heeft nogmaals, zonder dat hij daartoe opnieuw beslag had gelegd, een bedrag van € 1.705,50 ingehouden. Dit bedrag heeft de vennootschap op 27 februari 2017 aan de gerechtsdeurwaarder afgedragen. 3.2.5. Op 9 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank [plaats] vonnis in kort geding gewezen tussen klager als eiser en de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder als gedaagde. Dat kort geding had als inzet de door klager gevorderde opheffing van het beslag van 20 december 2016. In zijn beslissing heeft de voorzieningenrechter – kort gezegd – onder verwijzing naar artikel 475 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering overwogen dat het er voorshands voor moet worden gehouden dat er sprake is van een overeenkomst van opdracht en dat voor het ontstaan van elke vordering in beginsel steeds een nieuwe opdracht is vereist. Dit betekent, aldus nog steeds de voorzieningenrechter, dat eventuele toekomstige vorderingen niet rechtstreeks voortvloeien uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding en dat die eventuele toekomstige vorderingen van klager op de vennootschap niet door het op 20 december 2016 gelegde derdenbeslag worden getroffen. De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat het derdenbeslag onder de vennootschap (volledig) doel heeft getroffen en, nadat de vennootschap aan de gerechtsdeurwaarder heeft uitgekeerd, niet langer meer bestaat. De vordering van klager tot opheffing van het gelegde beslag is daarom afgewezen. 3.2.6. Op 10 maart 2017 heeft (de advocaat van) klager aan de gerechtsdeurwaarder verzocht op grond van voormeld vonnis over te gaan tot restitutie van het ingehouden bedrag van € 1.705,50. De gerechtsdeurwaarder heeft in de contacten daarna laten weten niet te zullen overgaan tot restitutie. 3.2.7. Op 2 mei 2017 heeft klager het kantoor van de gerechtsdeurwaarder gedagvaard te verschijnen voor de voorzieningenrechter in de rechtbank [plaats]. Inzet van dit kort geding was de vraag of op basis van het ten laste van klager onder de vennootschap gelegde derdenbeslag tevens rechtsgeldig is geïncasseerd een bedrag van € 1.705,50. Op 22 mei 2017 is vonnis in kort geding gewezen door de voorzieningenrechter in de rechtbank [plaats]. Uit dit vonnis blijkt dat de voorzieningenrechter het kantoor van de gerechtsdeurwaarder niet heeft gevolgd in zijn standpunt dat er, gelet op de overgelegde samenwerkingsovereenkomst van 1 juli 2016 tussen [naam BV] (derhalve niet de vennootschap) en klager, sprake was van een voortdurende rechtsverhouding tussen beiden, omdat klager er terecht op heeft gewezen dat krachtens artikel 6 van die samenwerkingsovereenkomst klager telkens opnieuw met de directie overleg moest voeren over met name de prijs van de uit te voeren werkzaamheden. Dit kan, aldus de voorzieningenrechter in dat vonnis, niet anders worden opgevat dan dat klager voor het ontstaan van elke vordering steeds een nieuwe opdracht moest krijgen en de voorzieningenrechter concludeert dan ook dat het uitgangspunt van de voorzieningenrechter zoals dat blijkt uit het vonnis van 9 maart 2017 niet in een ander daglicht is komen te staan. De in beslag name van de som van € 1.705,50 is derhalve niet gebaseerd op een eerder gelegd formeel beslag, aldus deze voorzieningenrechter. Bij voormeld vonnis is verder geoordeeld dat het vorenstaande onverlet laat dat de vordering van klager tot betaling van voormeld bedrag niet voor toewijzing vatbaar is, omdat klager geen vordering heeft jegens het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, maar mogelijkerwijze een vordering heeft jegens de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder en/of de gerechtsdeurwaarder in zijn hoedanigheid. De vordering van klager is op die grond afgewezen. 3.2.8. Bij beslissing van 4 juli 2017 van de voorzitter van de kamer is de klacht van klager, zoals hiervoor onder 3.2.3. vermeld, als kennelijk ongegrond afgewezen. 3.2.9. Klager had inmiddels een derde kort geding procedure aanhangig gemaakt, ditmaal tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij vonnis in kort geding van 7 juli 2017 van de voorzieningenrechter in de rechtbank [plaats], gewezen tussen klager en de gerechtsdeurwaarder, is de gerechtsdeurwaarder veroordeeld tot betaling aan klager van het bedrag van € 1.705,50, te vermeerderen met de wettelijke rente, en tot vergoeding aan klager van de proceskosten. De voorzieningenrechter in dat vonnis heeft onder meer overwogen: “4.6. Gelet op de eerdergenoemde vonnissen van 9 maart 2017 en 22 mei 2017 wist [de gerechtsdeurwaarder], althans behoorde hij te weten, dat het op 20 december 2016 gelegde beslag niet meer bestond en dat het bedrag van € 1.705,50 niet is gebaseerd op een formeel derdenbeslag. Het had op zijn weg gelegen om het ten onrechte ingehouden bedrag onverwijld te voldoen aan [klager]. [klager] is immers rechthebbende van dit bedrag. Dit heeft [de gerechtsdeurwaarder] ten onrechte nagelaten. In plaats daarvan heeft hij op 15 maart 2017 op verzoek van [naam] [hof: de opdrachtgever] en uit krachte van de grosse van het vonnis van 8 maart 2012 ten laste van [klager] onder zichzelf in zijn hoedanigheid van beheerder van de kwaliteitsrekening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.