← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2018:2147

GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civielrecht recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) Zaaknummer: 200.231.045/01 Zaaknummer rechtbank: C13/631508 / JE RK 17-666 Beschikking van de meervoudige kamer van 5 juni 2018 inzake [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. B. Mor-Yazir te Utrecht, en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de GI. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: - de minderjarige [A] (hierna te noemen: [minderjarige a] ); - de minderjarige [B] (hierna te noemen: [minderjarige b] ). Als informanten zijn aangemerkt: - Gezinshuis Drieluik, te Deventer; - Orthopedagogisch Centrum Ambiq, te Deventer. In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, locatie: Amsterdam, hierna te noemen: de raad. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 5 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De moeder is op 4 januari 2018 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 5 oktober

  1. 2.2 De GI heeft op 14 maart 2018 een verweerschrift ingediend. 2.3 Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de moeder van 18 mei 2018, ingekomen op dezelfde datum. 2.4 De voorzitter heeft op 16 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier gesproken met [minderjarige a] . Tijdens dat gesprek heeft [minderjarige a] een brief aan het hof overhandigd. [minderjarige b] heeft haar mening schriftelijk aan het hof kenbaar gemaakt bij brief van 14 mei
  2. 3De beoordeling van het hoger beroep 3.1 De advocaat van de moeder heeft het hof bij voormeld journaalbericht van 18 mei 2018 laten weten dat het hoger beroep wordt ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de moeder de gronden van het hoger beroep niet handhaaft. Dit brengt mee dat het hof de moeder niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep. 3.2 Het hof overweegt voorts ambtshalve dat het hoger beroep betrekking heeft op een beschikking die de kinderrechter heeft gegeven op de voet van artikel 1:336a van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 807, aanhef en onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen een dergelijke beschikking geen hoger beroep open. Feiten of omstandigheden op grond waarvan dit appelverbod zou moeten worden doorbroken zijn gesteld noch gebleken. Ook om deze reden is de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk. 4De beslissing Het hof: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.C.G.A. Duivenvoorde als griffier, en is op 5 juni 2018 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.