← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2018:2149

GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie -en jeugdrecht) zaaknummer: 200.235.172/01 zaaknummer rechtbank: C/15/265312/ JU RK 17-1771 beschikking van de meervoudige kamer van 5 juni 2018 inzake [de moeder] , wonende te [woonplaats] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. A. van den Berg te Utrecht, en Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. 1Het verloop van het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie: Haarlem) (hierna: de rechtbank) van 30 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 De moeder is op 1 maart 2018 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 november

  1. 2.2 Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen: - een journaalbericht van de zijde van de moeder van 3 mei 2018 met bijlagen (producties 3 en 4), ingekomen op 4 mei 2018; - een faxbericht van de GI van 18 mei 2018; - een faxbericht van de GI van 22 mei
  2. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 23 mei 2018 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De GI is, met kennisgeving vooraf, niet ter zitting verschenen. 3De motivering van de beslissing Ontvankelijkheid 3.1 De moeder is ter zitting in eerste aanleg verschenen, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 358 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) het hoger beroep namens haar moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak op 30 november
  3. Met maanden is bedoeld kalendermaanden. De enige uitzondering hierop is het geval dat de maand waarin de termijn afloopt, niet een dag met hetzelfde nummer kent omdat zij korter is, in welk geval de termijn eindigt op (het einde van) de laatste dag van die maand (vergelijk ECLI:NL:HR:2017:2225). Gelet op het voorgaande had de moeder uiterlijk op 28 februari 2018 hoger beroep moeten instellen door middel van het indienen van een hoger beroepschrift. Nu het hoger beroepschrift eerst op 1 maart 2018 ter griffie van dit hof is ingekomen, dient de moeder niet-ontvankelijk te worden verklaard in het namens haar ingestelde hoger beroep. De omstandigheid dat de advocaat van de moeder reeds op 27 februari 2018 een zogeheten V1-formulier heeft gedownload, maakt dit niet anders, nu deze handeling niet kan worden aangemerkt als het instellen van hoger beroep. 3.2 Dit leidt tot de volgende beslissing. 4De beslissing Het hof: verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Deze beschikking is gegeven door mw. mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.V.T. de Bie en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 5 juni 2018 in het openbaar uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.