GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.207.488/01 zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland: 4805153\CV EXPL 16-766 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 januari 2018 inzake 1de vennootschap onder firma AMSTERDAM CITY TOURS, 2. [appellant sub 2] , 3. [appellant sub 3] , 4. [appellante sub 4] , gevestigd respectievelijk wonend te [vestigingsplaats] , appellanten, tevens incidenteel geïntimeerden, advocaat: mr. D. Maats te Utrecht, tegen [geïntimeerde] , wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , geïntimeerde, tevens incidenteel appellante, advocaat: mr. J.F.R. Eisenberger te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna (appellanten gezamenlijk in enkelvoud) ACT en [geïntimeerde] genoemd. ACT is bij dagvaarding van 6 januari 2017, tevens inhoudende de grieven en voorzien van producties, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter), van 6 oktober 2016, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en ACT als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel; - memorie van antwoord in incidenteel appel. Ten slotte is arrest gevraagd. ACT heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. [geïntimeerde] heeft in principaal appel geconcludeerd tot, kort gezegd, afwijzing van het beroep van ACT, met veroordeling van ACT in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en in incidenteel appel tot, kort gezegd, deels vernietiging van het bestreden vonnis en verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 11 september 2015 verlengd is voor onbepaalde tijd, met veroordeling van ACT tot betaling van loon c.a. totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd en veroordeling van ACT in de proceskosten met nakosten, alles uitvoerbaar bij voorraad. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende. 2.1 Op 21 april 2015 zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (nul urencontract) overeengekomen waarbij [geïntimeerde] op 28 april 2015 bij ACT voor de duur van zes maanden in dienst is getreden tegen een uurloon van aanvankelijk € 9,69 bruto per uur, inclusief vakantiegeld en vakantiedagen, nadien gewijzigd in € 10,60 all-in per uur. De arbeidsovereenkomst zou van rechtswege eindigen op 28 oktober 2015. 2.2 Bij e-mail van 15 september 2015 heeft [A] van ACT (hierna: [A] ) [geïntimeerde] en [B] van ACT (hierna: [B] ) onder meer het volgende bericht: “Zoals vorige week besproken met [B] en [A] stuur ik je hierbij een kort gespreksverslag. [geïntimeerde] wil graag een gesprek hebben om te vragen of haar contract wordt verlengd. Dit loopt af op 27 oktober 2015. [B] geeft aan dat dit verlengd gaat worden. [geïntimeerde] wil ook weten of haar salaris aangepast gaat worden. [B] zegt dat dit per augustus 2015 is aangepast naar € 10,95 excl. vakantiegeld. [geïntimeerde] is hier tevreden mee. Dit is het einde van het gesprek. [A] zal in september een nieuw contract voor [geïntimeerde] maken.” 2.3 Bij e-mail van 27 september 2015 heeft ACT [geïntimeerde] het volgende bericht: “Na intern overleg hebben wij besloten jouw contract niet te verlengen. Je kan nog wel werken als je dat wilt t/m 27 oktober, maar als je niet meer wilt komen werken begrijpen wij dit ook.”. 2.4 Bij e-mail van 29 september 2015 heeft [geïntimeerde] ACT in reactie op voornoemde e-mail het volgende bericht: “Naar aanleiding van je mail van zondag 27 september meld ik dat ik niet akkoord ga met je voorstel. In het gesprek met [B] en [A] van 11 september jongstleden is door [B] mondeling toegezegd dat mijn contract zal worden verlengd en dat ik daarnaast per augustus 2015 een salaris zal ontvangen van € 10,95 per uur exclusief vakantiegeld. Dit is op 15 september jongstleden bevestigd per email. (...) In zowel het gesprek als de bevestiging per email is geen voorbehoud gemaakt: de combinatie van het gesprek en de bevestiging per mail is genoeg om te kunnen spreken van een definitieve toezegging”. 2.5 Bij e-mail van 30 september 2015 heeft ACT [geïntimeerde] onder meer het volgende bericht: “Bedankt voor je email, helaas is dit geen voorstel, maar een vaststelling. [B] heeft dit niet voor het zeggen, ik ben de eigenaar en [B] is niet bevoegd hierin, [B] is alleen een werknemer. [B] ontkent ook dit toegezegd te hebben, hij had alleen het voornemen hiertoe, hij heeft nooit of te nimmer gezegd jouw contract te verlengen, ook [A] is helaas niet bevoegd hierin, [A] heeft op eigen verantwoording gehandeld. Ik heb hierover ook een conflict met [A] , aangezien ze de directie nooit heeft ingelicht over deze email. Bij deze is dus je contract opgezegd”. 2.6 Na 28 oktober 2015 heeft [geïntimeerde] geen werkzaamheden meer verricht voor ACT. 3Beoordeling 3.1 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 11 september 2015 is verlengd voor onbepaalde tijd, betaling van achterstallig loon tot en met 28 oktober 2015 alsmede betaling van verschuldigd loon van € 1.705,90 per maand vanaf 29 oktober 2015, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Tevens heeft [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op betaling van de buitengerechtelijke kosten. Zij heeft daartoe gesteld, kort samengevat, dat partijen op 11 september 2015 een afspraak hebben gemaakt over verlenging van haar tot 28 oktober 2015 lopende arbeidsovereenkomst. Voorts dat daarbij is toegezegd dat het overeengekomen loon zou worden verhoogd tot € 10,95 bruto per uur ingaande augustus 2015. [geïntimeerde] heeft ten slotte gesteld dat zij op grond van het bepaalde in art. 7:610b BW gezien de gewerkte uren in juni tot en met september 2015 (inmiddels) aanspraak kan maken op een arbeidsomvang van 144,25 uur per maand. 3.2 ACT heeft de vorderingen van [geïntimeerde] betwist. Zij heeft kort samengevat aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] op 28 oktober 2015 van rechtswege is geëindigd, dat [geïntimeerde] een zogenaamd nul urencontract had, dat een all-in loon met haar is afgesproken en dat ACT het daartoe verschuldigde loon geheel heeft voldaan. Zij heeft betwist dat er een nadere afspraak is gemaakt over de verlenging van de arbeidsovereenkomst en over een wijziging van (de hoogte van) het loon met ingang van augustus 2015. 3.3 De kantonrechter heeft de vordering tot betaling van achterstallig loon tot 28 oktober 2015, gebaseerd op een bedrag van € 10,95 per uur ingaande augustus 2015, toegewezen met wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tevens is voor recht is verklaard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd per 28 april 2016. Vanaf 28 oktober 2015 is aan [geïntimeerde] loon toegewezen op basis van een arbeidsduur van 24 uur per week met wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn toegewezen. ACT is in de proceskosten veroordeeld. Samengevat heeft de kantonrechter daartoe het volgende overwogen. [geïntimeerde] mocht ervan uitgaan dat de toezegging op 11 september 2015 aan haar door twee personeelsleden van ACT bevoegdelijk is geschied. Nu partijen verder destijds niet hebben gesproken over de duur van de verlenging, dient de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:668 lid 4 BW te zijn voortgezet voor dezelfde tijd als destijds bij het aangaan daarvan was overeengekomen. Omdat [geïntimeerde] heeft meegedeeld zich voor drie dagen beschikbaar te houden na 28 oktober 2015, zal de omvang van de arbeidsovereenkomst daartoe worden beperkt. Daarbij geldt een brutoloon van € 10,95 inclusief vakantiegeld en vakantiedagen, zoals dat aan [geïntimeerde] in het gesprek van 11 september 2015 is toegezegd. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt ACT met haar grieven op. [geïntimeerde] grieft uitsluitend tegen de verklaring voor recht voor zover die beperkt is tot een looptijd van de arbeidsovereenkomst tot 28 april 2016. 3.4.1 De eerste grief in principaal appel heeft betrekking op de bevoegdheid van [B] / [A] ten aanzien van de toezegging dat de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] werd verlengd en de onvoorwaardelijkheid ervan. [B] / [A] zijn volgens ACT tot het doen van dergelijke toezeggingen niet formeel bevoegd, zoals valt af te leiden uit het handelsregister bij de Kamer van Koophandel, waarbij alleen de vennoten als bevoegd zijn aangemerkt. Ook mocht [geïntimeerde] daar niet van uit gaan nu zij uitsluitend met [appellant sub 2] als bevoegde persoon te maken had en met hem ook dagelijks werkte. De contacten met [B] en [A] waren slechts feitelijk van aard. Dat er destijds bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst een sollicitatiegesprek is gevoerd met uitsluitend [A] zegt niets, nu de naam van [appellant sub 2] als vertegenwoordiger van ACT onder de overeenkomst staat. Verder blijkt uit de overgelegde verklaringen van [A] en [B] dat er op 11 september 2015 slechts van een voornemen tot verlenging sprake was. Aldus ACT. 3.4.2 De vraag dient beantwoord te worden of [geïntimeerde] er op mocht vertrouwen dat zij op 11 september 2015 met daartoe bevoegde personen om tafel zat bij het bespreken van het verdere verloop van haar arbeidsovereenkomst. Het hof stelt allereerst vast dat uit de e-mail van 11 september 2015 afkomstig van [A] en als hiervoor onder 2.2 aangehaald bij de vaststaande feiten op geen enkel wijze blijkt van enig voorbehoud ten aanzien van de daarin neergelegde toezeggingen. Het gesprek vond plaats op verzoek van [geïntimeerde] , die daartoe op 29 augustus 2015 [A] per e-mail had benaderd. Hierop heeft [A] per e-mail van 31 augustus 2015 geantwoord “(…) Dank je voor je bericht, ik heb dit doorgestuurd naar […] ( [appellant sub 2] , hof)/ […] ( [B] , hof). Je hoort het z.s.m.” De afspraak op 11 september 2015 was kennelijk een vervolg op het verzoek om een gesprek over de arbeidsovereenkomst. Van belang is dat [geïntimeerde] al eerder met [A] te maken had gehad toen zij een sollicitatiegesprek met haar voerde voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst voor bepaalde tijd in april 2015. [geïntimeerde] heeft onbetwist gesteld dat zij in dat verband ook uitsluitend met [A] te maken heeft gehad en dat bovendien die arbeidsovereenkomst (weliswaar i/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.