afdeling strafrecht parketnummer: 23-000369-18 datum uitspraak: 31 mei 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-200497-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 30 maart 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer], eenmaal of meermalen met kracht op het oog en/of in het gezicht te slaan en/of stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurd netvlies en/of zichtsverlies (aan het rechteroog) ten gevolge heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de kinderrechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 30 maart 2017 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer], met kracht op het oog te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurd netvlies aan het rechteroog ten gevolge heeft gehad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Bewijsoverweging De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep naar de kern genomen bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte door de aangever in een nekklem werd gehouden waardoor de verdachte niet weg kon komen en in paniek raakte. Hierdoor was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Het hof begrijpt dat de raadsman hiermee een verweer strekkende tot vrijspraak heeft gevoerd, verwerpt dat verweer en overweegt daartoe als volgt. Het hof overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweer allereerst moet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een noodweersituatie: een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvan. Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof van de volgende feiten en omstandigheden uit. Op enig moment is er in de klas een woordenwisseling ontstaan tussen de aangever en de verdachte en heeft de verdachte een pen naar de aangever gegooid, welke pen de aangever terug heeft gegooid. Daarna volgen meer scheldwoorden, waarop vrijwel meteen de verdachte is opgestaan, op de aangever is afgelopen en de tafel waaraan de aangever zat omhoog heeft gegooid, welke nabij de aangever op zijn kant terecht kwam. Hierover heeft de verdachte in hoger beroep verklaard dat hij zich voor kan stellen dat de aangever door deze actie (te weten: het op de aangever aflopen en een tafel in de lucht gooien) erg was geschrokken. Hierop is een worsteling ontstaan tussen de aangever en de verdachte, waarbij de aangever de verdachte op enig moment bij de nek vast heeft gegrepen. Hierop heeft de verdachte de aangever (ten minste eenmaal) met zijn vuist met kracht op het oog gestompt. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte als aanvallend en agressief kunnen worden bestempeld en derhalve als in ieder geval een dreiging van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waartegen de aangever zich mocht verdedigen door het in een worsteling bij de nek vastpakken van de verdachte. Het feit dat de verdachte ter terechtzitting bekent dat hij kwaad naar de verdachte is toegelopen waarbij hij een tafel van de grond lichtte en hij zich kan voorstellen dat iemand daarvan zou schrikken, ondersteunt dit oordeel. Het vastpakken door de aangever van de verdachte kan aldus niet als wederrechtelijk worden beschouwd, en er is derhalve naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door de aangever of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvan, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen op de wijze waarop hij dit heeft gedaan. Derhalve is geen sprake geweest van een noodweersituatie en wordt het verweer van de raadsman verworpen. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft zich in het geval van strafoplegging ten aanzien van de hoogte van de straf gerefereerd voor het geval er een taakstraf bestaande uit een werkstraf wordt opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Daardoor heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en voor hem een angstige situatie in het leven geroepen, temeer nu het feit plaatsvond op school, een plek waar men zich veilig dient te voelen. Tevens brengen feiten als de onderhavige gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 april 2018 is hij eerder ter zake van een geweldsmisdrijf veroordeeld, welke veroordeling inmiddels onherroepelijk geworden. Het hof zal hier in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in diens nadeel betekenis aan toekennen. Het hof heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 18 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.