beschikking ___________________________________________________________________ GERECHTSHOF AMSTERDAM ONDERNEMINGSKAMER zaaknummer: 200.234.031/01 OK beschikking van de Ondernemingskamer van 9 juli 2018 inzake [A] , wonende te [....] , VERZOEKER, advocaat: mr. Ch. Hofmans, kantoorhoudende te Amsterdam, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PRIMEVAL GENETICS B.V., gevestigd te Beverwijk, VERWEERSTER, advocaat: mr. M.C. van Rijswijk, kantoorhoudende te Amsterdam, e n t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MIDDENMEER B.V., gevestigd te Beverwijk, BELANGHEBBENDE, in persoon verschenen bij haar bestuurder [B] . 1Het verloop van het geding 1.1 In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid: verzoeker met [A] ; verweerster met PVG; belanghebbende met Middenmeer; [B] met [B] ; Capitise Capital B.V. met Capitise; [C] met [C] ; H&S Development B.V. met H&S. 1.2 [A] heeft bij op 23 februari 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, zakelijk weergegeven, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van PVG over de periode vanaf 1 februari 2016, met veroordeling van PVG in de kosten van het geding. 1.3 PVG heeft bij op 26 april 2018 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht [A] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [A] in de kosten van het geding. 1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 17 mei 2018. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. 2De feiten De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten: 2.1 PVG is op 29 november 2016 opgericht door Middenmeer, Capitise en [A] . De aandelenverhoudingen waren toen aldus: Middenmeer hield 65%, Capitise hield 5% en [A] hield 30% van de aandelen in het kapitaal van PVG. Bij de oprichting zijn [B] en [A] tot bestuurders benoemd. [B] is tevens bestuurder van Middenmeer; [C] is indirect bestuurder van Capitise. 2.2 PVG drijft een onderneming die gericht is op het fokken van melk- en fokrunderen, in het bijzonder ten behoeve van de handel in melk- en fokrunderen, runderembryo’s en dierlijk sperma. 2.3 In artikel 10 lid 4 van de statuten van PVG staat een aantal besluiten opgesomd, waarvoor het bestuur de goedkeuring behoeft van de algemene vergadering van aandeelhouders. Die goedkeuring is onder meer nodig voor aangelegenheden van de vennootschap met een persoonlijk tegenstrijdig belang jegens één der aandeelhouders en/of bestuurders en voor het aangaan van verbintenissen die de som of de waarde van € 10.000 te boven gaan. 2.4 In de ten tijde van de oprichting gesloten aandeelhoudersovereenkomst is bepaald dat bestuurders van de vennootschap de medeaandeelhouders minimaal één maal per kwartaal zullen consulteren omtrent de gang van zaken in de onderneming en dat zij tevens indien één van de medeaandeelhouders dit verlangt, verslag geven van de financiële omstandigheden (onder meer: de resultatenrekening, de balans en kostenspecificatie, de resultaten van het lopende boekjaar, de verwachtingen voor het nog lopende boekjaar omtrent de bruto winstmarge, de winst , de omzet, enz). 2.5 Middenmeer heeft op 5 december 2016 een krediet in rekening-courant verstrekt aan PVG tot een maximale hoofdsom van € 550.000. 2.6 Op 14 maart 2017 is H&S opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder is de echtgenote van [A] . H&S houdt zich volgens de beschrijving in het register van de Kamer van Koophandel bezig met het houden van melkvee en handelsbemiddeling in landbouwproducten, levende dieren en grondstoffen voor textiel en voedingsmiddelen en met het fokken en houden van melkvee en runderen, handel in import en export van fokvee, embryo’s en dierlijk sperma. 2.7 Op 7 september 2017 hebben [A] en zijn echtgenote in een WhatsApp conversatie met [C] bericht dat zij hun leven anders gaan inkleden. Een door hen verstuurd bericht bevat onder meer de volgende teksten: “Moeten wij [ [B] ] bellen of bel jij [ [B] ] om uit te leggen dat wij stoppen” en: “Maak de papieren maar klaar dan kan [ [A] ] ze tekenen 100 aandelen leveren wij maandag in.” In een WhatsApp bericht aan [B] van diezelfde dag heeft de echtgenote van [A] verzocht [A] te bellen: “Wij stoppen met PrimeVal.” 2.8 Op 28 september 2017 heeft Capitise haar aandelen in PVG overgedragen aan Middenmeer. Sindsdien houdt Middenmeer 70% en [A] 30% van de aandelen in het kapitaal van PVG. 2.9 Bij brief van 3 oktober 2017 heeft [B] aan [A] geschreven dat [A] eerder te kennen heeft gegeven niet langer voor PVG te willen werken, dat [A] binnenkort zal worden uitgenodigd voor een vergadering waarin het terugtreden van [A] als bestuurder zal worden bevestigd en dat vooruitlopend op deze vergadering [A] door [B] , in diens hoedanigheid van bestuurder en grootaandeelhouder, als bestuurder van PVG is geschorst. In reactie op deze brief heeft mr. Hofmans aan [B] onder meer bericht dat [A] niet is afgetreden als bestuurder, dat [A] de schorsing naast zich neer legt nu er geen buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders is gehouden en dat hij waar nodig handelingen zal blijven verrichten in het belang van PVG. 2.10 [A] is niet uitgenodigd voor de MT-overleggen van 12 en 24 oktober 2017. 2.11 Bij brief van 19 oktober 2017 is [A] uitgenodigd voor een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van PVG op 30 oktober 2017. Op de agenda is besluitvorming over het ontslag van [A] als bestuurder van PVG opgenomen. In de brief staat onder meer dat [A] herhaaldelijk heeft gemeld niet verder te zullen of willen gaan als bestuurder en dat er geen vertrouwen in is dat [A] op goede wijze als bestuurder de onderneming zal kunnen leiden. De brief bevat voorts een opsomming van punten die zien op het functioneren van [A] , waaronder, kort samengevat, dat [A] de vennootschap heeft benadeeld door op 28 augustus 2017 opdracht te hebben gegeven vijf kalveren af te voeren tegen een te lage prijs en zonder de medeaandeelhouders daarover te informeren; [A] in strijd met artikel 10 lid 4 van de statuten een overeenkomst is aangegaan waarmee een belang is gemoeid van meer dan € 10.000, zonder daarbij de medeaandeelhouders te betrekken. de echtgenote van [A] op 14 maart 2017 H&S heeft opgericht met het oogmerk om vergelijkbare activiteiten als PVG uit te oefenen, zonder dat [A] hierover de medeaandeelhouder heeft geïnformeerd; op de bankrekening van H&S zijn betalingen ontvangen die PVG toekomen. Weliswaar zijn de betreffende betalingen na ontdekking daarvan teruggestort, maar niet duidelijk is of er nog meer gelden bestemd voor PVG ontvangen zijn door H&S. 2.12 Op 25 oktober 2015 is [A] uitgeschreven als bestuurder van PVG bij de Kamer van Koophandel. 2.13 Bij brief van 30 oktober 2017 is [A] uitgenodigd voor een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van PVG op 14 november 2017. Op de agenda staat, naast het ontslag van [A] als bestuurder (zie hierboven onder 2.11) een door [A] ingebracht agendapunt inhoudende het door de vennootschap gevoerde en te voeren beleid. 2.14 De buitengewone vergadering van aandeelhouders van 31 oktober 2017 is niet doorgegaan. In plaats daarvan is die vergadering gehouden op 14 november 2017. In die vergadering is [A] ontslagen als bestuurder van PVG. Besloten is voorts dat [A] vragen over het beleid van PVG op schrift zal stellen en dat die vragen vervolgens aan [B] – die niet ter vergadering aanwezig kon zijn – zullen worden voorgelegd. 2.15 Bij brief van 28 november 2017 heeft [A] aan PVG ( [B] ) een aantal vragen gesteld over kort gezegd: het beleid dat PVG voert met betrekking tot het testen van vaars- en stierkalveren ten behoeve van DNA-bepaling; samenwerking met andere partijen in de markt; het beleid met betrekking tot de verkoop van top stierkalveren; de samenwerking met [D] en verrekeningen over en weer; het opstellen van jaarverslagen; de administratie van de dieren; de functieomschrijvingen van het personeel. 2.16 Bij brief van 11 december 2017 heeft [B] aan [A] geschreven, zakelijk weergegeven, dat PVG (acute) financiële problemen heeft, die te herleiden zijn tot beslissingen die [A] heeft genomen. Voor de uitvoering van door [A] gevoerd beleid zijn aanzienlijke financiële middelen nodig zijn, waarover PVG niet beschikt. Aan [A] is in de brief verzocht om in verband met de continuïteit van de onderneming een bedrag van € 118.038 aan PVG beschikbaar te stellen als lening of kapitaalstorting. [A] heeft dit niet gedaan. 2.17 Bij brief van 12 december 2017 heeft PVG de hierboven genoemde brief van 28 november 2017 beantwoord en daarin onder meer naar voren gebracht, kort weergegeven, dat er aanvankelijk problemen waren met de selectie van bedrijven ten behoeve van het testen van kalveren, maar dat dit inmiddels is ondergebracht bij een onafhankelijke partij; er geen samenwerkingsverbanden zijn aangegaan met andere partijen in de markt; met betrekking tot de verkoop van top stierkalveren destijds op voordracht van [A] een samenwerkingsverband is aangegaan met een derde partij; er geen samenwerking is met [D] en er evenmin verrekeningen over en weer zijn; [A] geen inzicht geeft in de bankafschriften van H&S, waarop betalingen die aan PVG toekomen zijn binnengekomen; de vennootschap geen personeel in dienst heeft. 2.18 In op 8 mei 2018 door Deloitte opgestelde rapporten inzake de jaarstukken 2016 (vanaf de oprichtingsdatum 29 november 2016) en inzake jaarstukken 2017 staat onder meer het volgende. Het resultaat voor belastingen van PVG bedroeg in 2016 € 634.706 negatief en in 2017 € 611.819 negatief. PVG had in 2017 een negatief eigen vermogen van € 1.246.525. 3De gronden van de beslissing 3.1 [A] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van PVG. Ter toelichting heeft hij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht: Tussen [A] en [B] zijn afspraken gemaakt over hun onderlinge taakverdeling. Daarbij zou [A] zorg dragen voor onder meer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.