afdeling strafrecht parketnummer: 23-002666-17 datum uitspraak: 6 augustus 2018 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13‑217865-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1984, adres: [adres 1], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de politierechter in de rechtbank Amsterdam toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: Feit 1: hij op of omstreeks 29 oktober 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëgening heeft weggenomen een rugzak (inhoudende diverse pasjes en/of een rijbewijs en/of een of meer ander soortelijke documenten en/of goederen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s); Subsidiair: hij op of omstreeks 29 oktober 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een rugzak (inhoudende diverse pasjes en/of een rijbewijs en/of een of meer ander soortelijke documenten en/of goederen) althans enig goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter. Bespreking van een gevoerd verweer De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het bewijs op onrechtmatige wijze is vergaard en de verdachte dientengevolge dient te worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe - samengevat - aangevoerd dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 oktober 2015 opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat de verdachte door de verbalisant onrechtmatig om zijn identiteitsbewijs is gevraagd, nu er op dat moment geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek Strafvordering. Daaropvolgend is de verdachte door de verbalisant aan een veiligheidsfouillering onderworpen terwijl de verbalisant de verdachte nog niet staande- of aangehouden had. De verbalisant heeft de verdachte pas ná die veiligheidsfouillering aangehouden. Door deze onrechtmatige fouillering is in aanzienlijke mate inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verdachte. Voornoemde onrechtmatigheden leveren een schending op van de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Er is daarmee sprake van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Op basis van het belang van de geschonden voorschriften en de ernst van de verzuimen concludeert de raadsman dat overgegaan dient te worden tot bewijsuitsluiting van de resultaten verkregen uit de fouillering van de verdachte. Voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat in de gegeven omstandigheden niet om het identiteitsbewijs van de verdachte had mogen worden gevraagd, overweegt het hof als volgt. Uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen van 28 oktober 2015 blijkt – kort gezegd – dat de verbalisant op het Spui te Amsterdam van achteren een bankje benaderde waarop de verdachte en de medeverdachte zaten. Hij zag dat de beide mannen achterom naar hem keken en meteen meerdere pasjes op de grond lieten vallen. Hij zette zijn motor voor beide mannen stil en zag tussen de voeten van zowel de verdachte als de medeverdachte verschillende pasjes liggen. De verbalisant heeft vervolgens van beide mannen een identiteitsbewijs gevorderd. In een situatie als de onderhavige dient op grond van artikel 8 van de Politiewet 2012 te worden getoetst of het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen (hierna: WID), redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak. Uit de parlementaire geschiedenis van de WID volgt dat een politieambtenaar niet zonder concrete aanleiding inzage van een identiteitsbewijs mag vorderen, maar daarvoor een geldige reden moet hebben, gebaseerd op een van de onderdelen van de politietaak, te weten: strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, handhaving van de openbare orde en hulpverlening. De concrete aanleiding behoeft niet te bestaan in de verdenking van een strafbaar feit. In de Aanwijzing uitbreiding identificatieplicht is vermeld dat het proces-verbaal van politie de feiten en omstandigheden moet bevatten op basis waarvan de opsporingsambtenaar het noodzakelijk heeft geacht de inzage van een identiteitsbewijs te vorderen. In het proces-verbaal moet derhalve de concrete activiteit die aan de vordering tot inzage van het identiteitsbewijs ten grondslag ligt, worden beschreven. Het hof is van oordeel dat op grond van voornoemd proces-verbaal kan worden vastgesteld dat sprake was van een situatie waarin, in het kader van een redelijke taakuitoefening, een identiteitscontrole aangewezen was en dat die situatie in dat proces-verbaal ook in voldoende mate is omschreven. Dat de wettelijke grondslag daarvan niet in het proces-verbaal genoemd wordt, doet er niet aan af dat in de onderhavige situatie reeds op grond van de Wet op de Identificatieplicht inzage in een identiteitsdocument kon worden gevorderd. Het hof is met de raadsman van oordeel dat de verbalisant in de onderhavige situatie geen wettelijke bevoegdheid had om tot fouillering van de verdachte over te gaan; de verdachte had daarvoor geen toestemming gegeven en evenmin was voldaan aan de vereisten voor onderzoek aan de kleding als bedoeld in artikel 55b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte staande- noch aangehouden was. Deze onrechtmatige fouillering is een verzuim als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering dat niet meer is te herstellen en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken. Het hof dient te beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Het hof dient hierbij rekening te houden met de factoren zoals genoemd in artikel 359a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, nu het rechtsgevolg door deze factoren moet worden gerechtvaardigd. Naar het oordeel van het hof behoeft het verzuim in dit geval niet te leiden tot bewijsuitsluiting, zoals door de verdediging is gesteld. Het verweer van de raadsman houdt in dat op basis van het belang van het voorschrift en de ernst van het verzuim de onrechtmatige fouillering moet leiden tot bewijsuitsluiting, zonder dat daarbij is aangevoerd welk concreet nadeel de verdachte hierdoor heeft ondervonden. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Voor zover het proces-verbaal in dit opzicht als niet correct kan worden beschouwd, kan in hetgeen is aangevoerd omtrent de artikelen 6 en 8 van het EVRM noch anderszins grond worden gevonden voor het oordeel dat de verdachte door dit verzuim dusdanig in enig rechtens te respecteren belang is getroffen dat hieraan het door de raadsman bepleite gevolg dient te worden verbonden. Daarbij wordt ten overvloede opgemerkt dat de daarop volgende ontdekking van enig strafbaar feit in de onderhavige situatie niet als een zodanig belang kan gelden. Nu niet is gebleken van enig nadeel dat de verdachte door de onrechtmatige fouillering heeft ondervonden, zal het hof - gelet op artikel 359a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering - volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan en dat aan de constatering van dit vormverzuim geen consequentie zal worden verbonden. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij omstreeks 29 oktober 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugzak inhoudende diverse pasjes toebehorende aan [benadeelde] en aan een ander dan verdachte, en een rijbewijs toebehorende aan [benadeelde]. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.