GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer: 200.107.147/02 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 437128 / HA ZA 09-2823 arrest van de meervoudige burgerlijke ka
§ 265
, sub a tot en met f, erop zijn gebaseerd dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen. Nu het hof (in rov 3.5.3) heeft geoordeeld dat dit niet het geval is, zijn deze vorderingen niet toewijsbaar. 3.9.3. Uit de zojuist geciteerde passage en de subsidiaire vordering als vermeld in § 266, sub a, leidt het hof af dat de subsidiaire vorderingen,
§ 266
, sub a tot en met f, erop zijn gebaseerd dat partijen een richtprijs van (twee keer € 173.270,= is) € 346.540,= zijn overeengekomen. Nu het hof (in rov 3.5.4) heeft geoordeeld dat dit niet het geval is, zijn ook deze vorderingen niet toewijsbaar. 3.9.4. Aldus resteren ter beoordeling de uiterst subsidiair door [geïntimeerde] inge-stelde vorderingen,
§ 267
, sub a tot en met d, die alle tot uitgangspunt nemen dat het hof aanneemt “dat er sprake is van een regie overeenkomst waarbij de waarde van het werk dient te worden geschat”. Dat dit het geval is, volgt uit rov 3.5.5. 3.9.5. De in § 267, sub a, geformuleerde vordering tot veroordeling van Mero tot betaling van een bedrag van € 103.302,81 “op grond van onverschuldigde betaling door [geïntimeerde] waardoor Mero is verrijkt” is gebaseerd op het onder 3.1 (
- n)genoemde rapport van Kode Consult. In dit rapport (pagina 17) wordt de waarde van het door Mero aan het huis uitgevoerde werk, rekening houdend met aftrekposten wegens “in rekening gebrachte niet-materiaalkosten” (€ 12.644,88), “schatting fout of dubbel berekende kosten” (€ 5.000,=) en “schatting herstelkosten gebreken” (€ 15.000,=), ingeschat op € 361.697,19. Omdat hij Mero in totaal € 465.000,= heeft voldaan, heeft [geïntimeerde] – zo begrijpt het hof hem – een bedrag van (€ 465.000,= minus € 361.697,19
- is)€ 103.302,81 te veel en onverschuldigd aan Mero betaald. De beoordeling van deze vordering hangt nauw samen met het oordeel van het hof met betrekking tot de grieven in het principale appel en het onder 3.1 (
- m)genoemde deskundigenbericht, waarop aanstonds zal worden ingegaan. Wel wordt tot goed begrip nog overwogen dat [geïntimeerde] in eerste aanleg zijn vordering wegens onverschuldigde betaling ten belope van € 115.000,= uitsluitend had gebaseerd op de stelling dat partijen een vaste prijs zijn overeengekomen. Thans voor het eerst in hoger beroep stelt [geïntimeerde] dus, meer subsidiair, dat hij Mero meer heeft betaald dan een redelijke prijs in de zin van art. 7:752 BW en dat hij dit meerdere onverschuldigd heeft betaald. De onderhavige vordering zal derhalve op deze nieuwe grondslag, los van enige grief, dienen te worden besproken. 3.9.6. Ook de vordering als vervat in § 267, sub b, die strekt tot een verklaring voor recht dat de door [geïntimeerde] gelegde beslagen [vgl. 3.1 (h)] rechtmatig waren, althans dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is jegens Mero voor de schade zoals die is vastgesteld in het onder 3.1 (
- o)genoemde vonnis van 31 augustus 2016 in de schadestaatprocedure, hangt nauw samen met het oordeel van het hof met betrekking tot de grieven in het principale appel en voormeld deskundigenbericht. 3.9.7. De vordering in § 267, sub c, die strekt tot terugbetaling door Mero van het haar door [geïntimeerde] ingevolge zojuist genoemd vonnis betaalde bedrag van € 76.007,40, stuit af op het gesloten systeem van rechtsmiddelen: zolang dat vonnis niet is vernietigd, bestaat er geen grond om Mero (in de onderhavige zaak) tot de (terug)betaling van dit bedrag te veroordelen, zelfs niet als de onder 3.9.6 genoemde vordering van [geïntimeerde] zal worden toegewezen en die van Mero alsnog zal worden afgewezen. 3.10.1. De grieven 1 tot en met 6 in principaal appel strekken ertoe dat de vordering van Mero tot betaling door [geïntimeerde] van bedragen van € 125.000,= en € 3.530,= (exclusief btw), telkens met rente, alsnog wordt toegewezen, met dien verstande dat Mero deze vordering in hoger beroep heeft verminderd tot € 128.100,=, met rente. Deze grieven kunnen gezamenlijk worden besproken. 3.10.2. Het hof onderschrijft de beslissing van de rechtbank, gegeven bij de toenmalige stand van zaken, om de (oorspronkelijke) vordering af te wijzen op de grond dat Mero onvoldoende concreet inzichtelijk had gemaakt welke werkzaamheden zijn verricht, met opgave van per post bestede uren en materialen, in aanmerking genomen dat het hier gaat om een aannemingsovereenkomst op regiebasis. In zoverre falen de grieven dan ook, ongeacht of elke (deel)overweging van de rechtbank die tot deze beslissing heeft geleid, juist moet worden geacht. 3.10.3. Thans in hoger beroep echter beschikt het hof over het ingevolge zijn beschikking van 11 februari 2014 uitgebrachte deskundigenbericht van 27 augustus 2014 (verder ook: het deskundigenbericht), waarop Mero zich ter staving van haar vordering beroept. Beide partijen begrijpen dit bericht aldus dat de deskundige de totale redelijke kosten in de zin van art. 7:752 BW heeft gesteld op € 593.100,=. Omdat [geïntimeerde] haar slechts € 465.000,= heeft betaald, vordert Mero van hem in appel nog een bedrag van (€ 593.100,= minus € 465.000,=
- is)€ 128.100,=. 3.10.4. Bij memorie van antwoord/grieven, §§ 84 tot en met 108, heeft [geïntimeerde] het deskundigenbericht gemotiveerd betwist, geschraagd met het in zijn opdracht uitgebrachte rapport van Kode Consult van 15 februari 2017 (verder: het rapport). In haar memorie van antwoord in incidenteel appel heeft Mero wel gereageerd op het rapport maar niet althans slechts ten dele op de kritiek van [geïntimeerde] op het deskundigenbericht. 3.10.5. Hoewel het rapport, dat op verzoek van [geïntimeerde] is opgesteld (kennelijk) zonder dat Mero daarbij op enigerlei wijze betrokken is geweest, niet dezelfde status heeft als het krachtens de beslissing van dit hof uitgebrachte deskundigenbericht, mag en zal het hof op het rapport en de daarin neergelegde kritiek op het deskundigenbericht wel acht slaan. 3.10.6. Gezien het deskundigenbericht, de kritiek daarop van [geïntimeerde] en het rapport van Kode Consult, zal het hof op de voet van art. 194 lid 1 Rv een verhoor bevelen van de bij de beschikking van 11 februari 2014 benoemde deskundige, J. Prent. [geïntimeerde] zal zich bij dit verhoor vanzelfsprekend mogen laten vergezellen en bijstaan door ing. J.C. Kok (of iemand anders) van Kode Consult, maar het hof zal Kode Consult in beginsel niet het woord geven. De door de deskundige te maken kosten zullen wederom vooralsnog ten laste van Mero, de eisende partij, worden gebracht. 3.10.7. Het hof stelt zich voor dat de deskundige ter zitting allereerst de gelegenheid krijgt te reageren op de door [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord/grieven en de door Kode Consult in haar rapport geuite kritiek op het deskundigenbericht. Desgewenst mag de deskundige dat schriftelijk doen. In dat geval dient hij zijn reactie uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting toe zenden aan het hof en aan de advocaten van partijen. Het is beslist niet de bedoeling dat daarop dan een tegenrapport (bijvoorbeeld van Kode Consult) komt: het hof wil een schriftelijke reactie van de deskundige op de kritiek op zijn bericht slechts faciliteren om de behandeling ter zitting te vergemakkelijken en tijd te besparen. Maar nogmaals, het hof laat dit aan de deskundige over. In ieder geval zal het hof (vervolgens) de deskundige vragen stellen over de op zijn bericht geuite kritiek en zijn reactie daarop. Vanzelfsprekend zullen vervolgens eventuele (verdere) vragen van het hof en van partijen ter tafel kunnen komen. 3.11. Het door het hof beoogde deskundigenverhoor is, het wordt hier volledigheidshalve vermeld, ook noodzakelijk in verband met de beoordeling van de onder 3.9.5 en 3.9.6 genoemde vorderingen van [geïntimeerde] . 3.12. In afwachting van het deskundigenverhoor zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden, dus ook met betrekking tot grief 8 in principaal appel en de grieven 5, 6 en 9 in incidenteel appel, welke grieven nog niet zijn besproken. Grief 7 in principaal appel, die is gericht tegen rov 2.9 van het tussenvonnis, zal bij gebrek aan belang niet worden behandeld. Mero heeft immers uitdrukkelijk berust in de afwijzing door de rechtbank van de in die overweging beoordeelde vordering en nagelaten uit de doeken te doen waarom niettemin zou moeten worden vastgesteld dat zij niet heeft aanvaard dat het werk werd stilgelegd toen schikkingsonderhandelingen niet het gewenste resultaat opleverden. 4Beslissing Het hof: gelast een verhoor van de bij beschikking van dit hof van 11 februari 2014 benoemde deskundige J. Prent met betrekking tot het door hem uitgebrachte deskundigenbericht van 27 augustus 2014, zulks voor deze kamer van het hof, op een nader te bepalen tijdstip in een der zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam; verwijst de zaak naar de rol van 27 februari 2018 opdat de advocaten van partijen eenparig hun verhinderdata en die van de deskundige opgeven over de maanden april tot en met juni 2018; bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal toezenden; bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden kopieën van de overige gedingstukken in hoger beroep aan de deskundige zullen doen toekomen, alsmede, na een verzoek daartoe van de deskundige, de andere door deze noodzakelijk geachte stukken, voor zover mogelijk; bepaalt dat de deskundige na afloop van de zitting zijn declaratie ter griffie zal kunnen indienen onder vermelding van zaaknummer 200.107.147/02 en dat deze declaratie alsdan voorlopig ten laste van Mero zal worden gebracht; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.E. Molenaar en E.P. Stolp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 januari 2018.