afdeling strafrecht parketnummer: 23-003948-17 datum uitspraak: 4 september 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-069584-17 tegen [verdachte] , geboren te distrikt [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging, in het bijzonder de beslissing met betrekking tot het beslag, en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straffen De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 dagen, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich in een periode van twee weken tweemaal schuldig heeft gemaakt aan het bestelen van een hulpbehoevend en kwetsbaar persoon. De verdachte is zonder enig respect of gevoel voor de kwetsbare positie van het slachtoffer overgegaan tot deze diefstallen en heeft daarbij het vertrouwen geschonden dat het slachtoffer in haar stelde als schoonmaakster. Diefstal veroorzaakt schade en in het algemeen bij de benadeelde gevoelens van onrust en onveiligheid. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 augustus 2018 is zij eerder onherroepelijk veroordeeld. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof niet tot een ander oordeel gebracht dan de politierechter over de op te leggen straf. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Beslissing omtrent beslag Het hof is van oordeel dat het onder de verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten geld ten bedrage van € 285,95, dient te worden teruggeven aan de verdachte, aangezien zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen met vermeerdering van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot € 400 aan materiële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof zal, anders dan in eerste aanleg, het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis. Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - geld, te weten: € 285,95
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.