Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-003388-17 Datum uitspraak: 9 juli 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 september 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-158179-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2018. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Purmerend op/aan de Schapenmarkt, op of omstreeks 13 mei 2016 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bewijsvoering en reactie op een bewijsverweer Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. Op 13 mei 2016 reed de verdachte met zijn auto uit een parkeervak in de parkeergarage ’t Lammetje op de Schapenmarkt in Purmerend. Hij reed eerst recht achteruit om vervolgens een draai te kunnen maken om weg te kunnen rijden. Hij heeft twee à drie keer moeten steken, omdat het zo krap was. Toen hij weg wilde rijden werd hij door een vrouw (het hof: de getuige [getuige]) erop geattendeerd dat hij met de achterkant van zijn auto de voorkant van een andere auto had geraakt. De getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte te ruim uitdraaide en dat hij met de achterkant van zijn auto tegen de voorkant van de geparkeerde auto aanreed. Zij zag schade die zij omschreef als een ‘pit’, waarmee zij een deuk zei te bedoelen, in de bumper van de geparkeerde auto. Ook heeft zij verklaard dat zij de verdachte heeft aangesproken en daarna zag dat hij uitstapte en naar de schade keek, waarna zij hem hoorde zeggen ‘het is de bumper maar, daar is ’ie voor’. De verdachte heeft bevestigd dat hij zoiets gezegd kan hebben en dat hij is weggereden zonder zijn gegevens bekend te maken. De getuige [getuige] heeft gezien dat de verdachte een stukje reed, vervolgens stopte om alsnog een foto te maken van de beschadigde auto en daarna wegreed, waarna de getuige [getuige] zelf een briefje achter de ruitenwissers van de aangereden auto heeft geplaatst. De eigenaar van deze auto van het merk BMW, [slachtoffer], heeft aangifte gedaan van het verlaten van de plaats van het ongeval waarbij aan zijn auto schade is toegebracht. Hij heeft verklaard dat zijn auto op 13 mei 2016 onbeschadigd is geparkeerd in parkeergarage ’t Lammetje te Purmerend, dat hijzelf die dag omstreeks 20:15 uur het door de getuige [getuige] achtergelaten briefje achter de ruitenwisser vond en toen zag dat er in het midden van de onderspoiler een beschadiging zat, bestaande uit een lichte indeuking en craquelé schade (het hof begrijpt: in de lak). In haar tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring heeft de getuige [getuige] verklaard dat zij zag dat de BMW wiebelde toen deze werd geraakt door de auto van de verdachte, en dat zij samen met de verdachte de schade op ongeveer een halve meter heeft bekeken en de schade goed heeft gezien. De ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoorde partner van de verdachte, [naam], die destijds als bijrijder aanwezig was, heeft verklaard dat zij een foto van de voorkant van de BMW heeft gemaakt en dat zij die heeft gemaakt op ongeveer één meter afstand van de BMW, op de plaats waar zij met de verdachte en de getuige [getuige] stond. Deze foto heeft zij aan het hof getoond. Het hof heeft daarop de schade waargenomen, zoals door de aangever omschreven. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de schade aan de auto van de aangever heeft veroorzaakt. De verdachte ontkent dat hij deze schade heeft veroorzaakt, waarbij gesteld is dat de verdachte en zijn partner niets van een aanrijding hebben gemerkt, en betoogd is dat gelet op de vorm en hoogte van de achterkant van de auto (met trekhaak) van de verdachte en de (laaggelegen) plaats van de schade aan de BMW, deze schade onmogelijk door de verdachte kan zijn veroorzaakt. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de getuige [getuige] dat zij heeft gezien dat de verdachte tegen de voorzijde van de auto van de aangever is aangereden, op zodanige wijze dat die laatste auto daardoor wiebelde. Ook heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de aangever dat zijn auto de schade aan de voorspoiler niet had voordat deze op 13 mei 2016 was geparkeerd in ’t Lammetje. Nu de schade naar het oordeel van het hof past bij een aanrijding, zoals die door de getuige [getuige] is waargenomen, en het hof niet aannemelijk acht dat het ontstaan van deze schade door de vorm van de betrokken voertuigen wordt uitgesloten, stelt het hof vast dat deze schade is ontstaan doordat de verdachte met zijn auto tegen de auto van de aangever is aangereden. Uit de omstandigheden dat de verdachte (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.