beslissing ___________________________________________________________________ _ _ GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.236.369/01 GDW nummer eerste aanleg : C/13/621670/ DW RK 17/12 beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 18 september 2018 inzake [naam] , wonend te [plaats] , appellant, tegen 1. [naam] , toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] , 2. [naam] , toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] , 3. [naam] , toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] , 4. [naam] , voormalig toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] , geïntimeerden, gemachtigde van geïntimeerden sub 1, 2 en 3: [naam] . 1Het geding in hoger beroep 1.1. Appellant (hierna: klager) heeft op 30 maart 2018, en daarmee tijdig, een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 27 februari 2018 (ECLI:NL:TGDKG:2018:46). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerden (hierna ook gezamenlijk: de gerechtsdeurwaarders) ongegrond verklaard. 1.2. Geïntimeerden sub 1, 2 en 3 hebben op 17 mei 2018 een (gezamenlijk) verweerschrift bij het hof ingediend. 1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 5 juli 2018. Klager en de gemachtigde van geïntimeerden sub 1, 2 en 3 (hierna: [gemachtigde] ) zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota. Geïntimeerde sub 4 (hierna: [gerechtsdeurwaarder sub 4] ) is, hoewel opgeroepen, niet verschenen. 2Stukken van het geding Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. 3Feiten 3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. 3.2. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. 3.2.1. Op 17 juni 2010 is klager ter zitting van de voorzieningenrechter te [plaats] met zijn ex-echtgenote overeengekomen dat klager aan haar een maandelijkse alimentatie zou betalen van € 1.400,-. Dit bedrag was opgebouwd uit twee componenten, te weten € 700,- per maand gebaseerd op het vaste inkomen van klager en een voorschot van € 700,- per maand gebaseerd op de variabele vergoedingen van klager. Voorts is overeengekomen dat 57,5% van het variabele deel van het inkomen van klager beschikbaar zou zijn voor levensonderhoud van zijn ex‑echtgenote. Klager diende aan zijn ex‑echtgenote ieder jaar aangaande zijn arbeidsinkomsten zijn jaaropgave en de loonstrook van december te verstrekken, opdat achteraf de juiste hoogte van het variabele deel van de alimentatie zou kunnen worden berekend. Zijn ex‑echtgenote diende op haar beurt ieder jaar aangaande haar arbeidsinkomsten haar jaaropgave aan klager te verstrekken. Aan de hand van een op beide jaaropgaven gebaseerde berekening zou klager aan zijn ex‑echtgenote betalen wat zij tekort was gekomen c.q. zou zijn ex-echtgenote het teveel ontvangene terugbetalen. Deze laatstgenoemde betalingsverplichting kon door klager en zijn ex‑echtgenote worden nagekomen door verrekening met de lopende alimentatieverplichting over de komende twaalf maanden. Deze afspraken zijn vastgelegd in het proces‑verbaal van de zitting bij de voorzieningenrechter. 3.2.2. Klager en zijn ex‑echtgenote hebben (onder andere) de hiervoor vermelde alimentatieafspraken vastgelegd in een echtscheidingsconvenant van 11 oktober 2010. 3.2.3. Bij beschikking van 12 februari 2014 heeft de [naam rechtbank] de alimentatieovereenkomst van 11 oktober 2010, althans het proces‑verbaal van 17 juni 2010 gewijzigd en bepaald dat klager aan zijn ex‑echtgenote € 1.468,- per maand als uitkering in haar levensonderhoud zal betalen met ingang van 1 januari 2014. Bij beschikking van 31 maart 2015 heeft [naam hof] , voor zover hier van belang, deze beschikking bekrachtigd en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.2.4. Op 19 januari 2016 heeft geïntimeerde sub 2 (hierna: [gerechtsdeurwaarder sub 2] ) de onder 3.2.3 vermelde beschikkingen aan klager betekend met bevel tot betaling van € 15.450,- aan achterstallige alimentatie tot en met december 2015 en toekomstige alimentatietermijnen, met de aanzegging dat bij niet‑tijdige voldoening aan het bevel zou worden overgegaan tot tenuitvoerlegging. 3.2.5. Op 14 maart 2016 is ten laste van klager loonbeslag gelegd. Nadat de gerechtsdeurwaarders was gebleken dat (de grosse van) het proces‑verbaal van 17 juni 2010, waarin de hiervoor onder 3.2.1 weergegeven afspraken waren opgenomen, niet was meebetekend, is dit beslag opgeheven. 3.2.6. Op 21 maart 2016 heeft [gerechtsdeurwaarder sub 2] op verzoek van de ex‑echtgenote van klager (hierna: de opdrachtgeefster) alsnog (de grosse van) het proces‑verbaal van 17 juni 2010 alsmede nogmaals (de grosse respectievelijk een afschrift van) de onder 3.2.3 vermelde beschikkingen aan klager betekend, met de aanzegging dat bij gebreke van omgaande voldoening aan deze titels terstond zou worden overgegaan tot het leggen van derdenbeslag. 3.2.7. Op 21 maart 2016 heeft [naam] (hierna: [gerechtsdeurwaarder X] ), toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats] , ten laste van klager loonbeslag gelegd onder de werkgever van klager, [naam] (hierna: [werkgever] ). 3.2.8. Naar aanleiding van door klager op 10 mei 2016 en 23 mei 2016 aan de gerechtsdeurwaarders toegezonden klachten heeft [gemachtigde] bij e‑mailbericht van 27 mei 2016 aan klager (onder meer) het volgende medegedeeld: “Geachte [klager] , Uw e-mail heb ik ontvangen en het dossier heb ik nader bekeken. Hieruit leid ik af dat u met [ex-echtgenote] principieel van mening verschilt over de uitleg van het bepaalde in de executoriale titels. Wij menen dat het niet aan ons is om inhoudelijk in te gaan op de juistheid van de vordering. Het debat over de juiste interpretatie van de executoriale titels laten wij graag over aan partijen. Mochten partijen het niet eens worden, dan kan dit eventueel aan de rechter worden voorgelegd. Ik zal [advocaat van ex-echtgenote] op de hoogte stellen van dit standpunt. Hetgeen u thans aanvoert, is voor ons wel voldoende reden om het beslag voor dit moment op te schorten. (…)” 3.2.9. Bij e-mailbericht van 28 juni 2016 heeft geïntimeerde sub 1 (hierna: [gerechtsdeurwaarder sub 1] ) aan klager (onder andere) het volgende medegedeeld: “(…) Middels deze e-mail willen wij u meedelen dat het eerder op 21 maart 2016 gelegde executoriale derdenbeslag onder [werkgever] N.V. is hervat, zulks na intern overleg alsmede met onze opdrachtgever [advocaat van ex-echtgenote] . (…)” 3.2.10. Op 22 november 2016 heeft geïntimeerde sub 3 (hierna: [gerechtsdeurwaarder sub 3] ), nadat de achterstand door uitwinningen uit het beslag was voldaan, ten laste van klager loonbeslag gelegd onder de [werkgever] voor de lopende alimentatieverplichting. Op 25 november 2016 heeft [gerechtsdeurwaarder sub 4] dit beslag aan klager overbetekend. 4Standpunt van klager In de kern verwijt klager: de gerechtsdeurwaarders dat zij de wet hebben overtreden door niet te voldoen aan artikel 475 lid 1 sub c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), dat bepaalt dat het exploot, op straffe van nietigheid, een opgave moet inhouden van hetgeen de geëxecuteerde krachtens de titel uit hoofde waarvan beslag wordt gelegd aan de executant verschuldigd is; deze opgave ontbreekt in de betekende titels; [gerechtsdeurwaarder sub 4] en [gerechtsdeurwaarder sub 3] dat zij de wet hebben overtreden door niet te voldoen aan artikel 430 lid 3 Rv, dat bepaalt dat de tenuitvoerlegging van vonnissen/beschikkingen uitsluitend mogelijk is na betekening aan de partij tegen wie de executie zich richt; het proces‑verbaal van 17 juni 2010 is aanvankelijk niet aan klager betekend; [gerechtsdeurwaarder sub 1] dat hij, tegen de wil en de beslissing van [gemachtigde] tot opschorting van het beslag en zonder eigen motivatie, op grond van een betwiste vordering waarvan de opdrachtgeefster heeft erkend dat deze onjuist is, heeft besloten tot het leggen van derdenbeslag op het loon van klager. 5Standpunt van de gerechtsdeurwaarders De gerechtsdeurwaarders hebben verweer gevoerd. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders wordt, voor zover relevant, hieronder besproken. 6Beoordeling Klachtonderdeel 1: niet voldaan aan artikel 475 lid 1 sub c Rv 6.1. De gerechtsdeurwaarders betwisten dat zij niet hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 475 lid 1 sub c Rv. Het beslagexploot van 21 maart 2016 vermeldt de titel uit hoofde waarvan het beslag is gelegd en er is opgave gedaan van hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is. 6.2. Op grond van het bepaalde in artikel 475 lid 1 sub c Rv dient het exploot het bedrag te vermelden dat de schuldenaar op het moment van het beslag is verschuldigd aan de beslaglegger. Dat bedrag moet berusten op een executoriale titel waaruit dat bedrag voortvloeit. 6.3. Blijkens het - ter zitting in hoger beroep overgelegde - beslagexploot van 21 maart 2016 zijn hierin de titels vermeld uit hoofde waarvan het loonbeslag is gelegd, te weten (de grosse van) het proces‑verbaal van 17 juni 2010, (de grosse van) de beschikking van de [naam rechtbank] van 12 februari 2014 en (een afschrift van) de beschikking van [naam hof] van 31 maart 2015. Tevens is in dat exploot opgave gedaan van het bedrag dat klager krachtens voormelde titels aan de beslaglegger verschuldigd is, te weten: “(…) € 15.686,94 , waarin begrepen de kosten van dit beslag, maar waarin nog niet begrepen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.