afdeling strafrecht parketnummer: 23-001186-17 en 23-000593-17 (gevoegd ter terechtzitting) datum uitspraak: 9 oktober 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 maart 2017 in de strafzaak onder de parketnummer 15-002445-17 (zaak A, met 15-703510-13 (TUL)) en tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2017 in de strafzaak onder de parketnummer 15-800030-17 (zaak B, met 15-703510-13 (TUL)) (gevoegd in hoger beroep) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, adres: [adres] . Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak B onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 28 maart 2017 (zaak A) en 3 februari 2017 (zaak B). Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat: Zaak A: 1:hij op of omstreeks 27 december 2016 te Den Helder [slachtoffer 1] heeft mishandeld door tegen haar been althans tegen haar lichaam te schoppen en/of te trappen; 2:hij op of omstreeks 29 december 2016 te Den Helder opzettelijk en wederrechtelijk een goed, te weten een auto (te weten een Peugeot 206), dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; Zaak B (gevoegd): 1:hij op of omstreeks 20 januari 2017 te Den Helder opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 4 januari 2017 gegeven door de officier van justitie te arrondissementsparket Noord-Holland, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (telefonisch) contact opgenomen met [slachtoffer 1] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep De vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd, reeds omdat het hof ter terechtzitting in hoger beroep de zaken heeft gevoegd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1 en 2 en in de zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A: 1:hij op 27 december 2016 te Den Helder [slachtoffer 1] heeft mishandeld door tegen haar been te schoppen. 2:hij op of omstreeks 29 december 2016 te Den Helder opzettelijk en wederrechtelijk een auto (een Peugeot 206), die toebehoorde aan [slachtoffer 2] , heeft beschadigd. Zaak B (gevoegd): 1:hij op 20 januari 2017 te Den Helder opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 4 januari 2017 gegeven door de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen (telefonisch) contact opgenomen met [slachtoffer 1] . Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het in zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De politierechter van de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het ten laste gelegde in zaak A veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren alsmede oplegging van bijzondere voorwaarden en de dadelijk uitvoerbaar verklaring daarvan, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland de verdachte voor het in zaak B onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de in de zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met oplegging van een contactverbod, locatieverbod en een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft met betrekking tot de strafmaat betoogd de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, mede gelet op de vooruitgang die de verdachte heeft gemaakt met betrekking tot zijn werk en schuldenproblematiek. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin. Hierdoor heeft het slachtoffer pijn ondervonden en heeft de verdachte haar lichamelijke integriteit geschonden. Voorts heeft de verdachte een aan hem opgelegde voorwaarde, namelijk zich onthouden van enig contact met zijn ex-vriendin, overtreden door meermalen telefonisch contact met haar op te nemen. De verdachte heeft daarmee een aan hem, door het daartoe bevoegde gezag opgelegde, aanwijzing bewust genegeerd. De verdachte heeft bovendien een auto beschadigd door ertegen te trappen. De gedragingen van de verdachte maken deel uit van een, destijds, langer lopend conflict tussen de verdachte en zijn ex-vriendin, waarin de verdachte zich niet onbetuigd heeft gelaten, maar ook aangeefster de grenzen lijkt te hebben opgezocht. De verdachte is keer op keer te ver gegaan, hetgeen het hof hem aanrekent. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 september 2018 is hij eerder voor geweldsdelicten en andere strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. In hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, lijkt de verdachte een positieve draai aan zijn leven te hebben gegeven. Het hof ziet evenwel – anders dan de raadsman heeft betoogd – in de ernst en de aard van de feiten, de gevolgen daarvan voor de slachtoffers en de documentatie van de verdachte geen aanleiding om te volstaan met thans, na aftrek van het voorarrest, enkel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 327 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van €
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.