GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 17/00553 9 oktober 2018 uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [x] te [woonplaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. J.R.R. Oevering) tegen de uitspraak van 18 oktober 2017 in de zaak met kenmerk HAA 17/1164 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(2008)wordt de belastingheffing over pensioenen toegewezen aan het woonland. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing, reeds omdat de brutobetaling minder bedraagt dan € 25.000. Nederland behoeft geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen. Nu eiser het gehele jaar 2014 woonachtig was in Nederland, heeft verweerder terecht de pensioeninkomsten in de heffing betrokken. 16. Artikel 30, vierde lid, van het Verdrag kent een overgangsmaatregel ten aanzien van overheidspensioenen die zijn ontvangen vóór de inwerkingtreding op 25 december 2010. Eiser heeft de eerste betaling van het pensioen ontvangen in augustus 2012, derhalve ná 25 december 2010. Verweerder neemt daarom het standpunt in dat deze overgangsbepaling niet van toepassing is. Eiser voert aan dat de eerste betaling wel reeds op 11 februari 2010 invorderbaar en rentedragend is geworden, hetgeen naar nationaal recht betekent dat deze betaling in 2010 is ontvangen. 17. Artikel 30, vierde lid van het Verdrag hanteert de bewoordingen ‘betalingen ontving’. Het Verdrag zelf biedt geen nadere omschrijving van de wijze waarop deze term dient te worden uitgelegd. Met betrekking tot niet nader omschreven uitdrukkingen in het Verdrag bepaalt artikel 3, tweede lid, van het Verdrag het volgende: “Voor de toepassing van dit Verdrag door een Verdragsluitende Staat op enig moment heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking op dat moment heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen waarop dit Verdrag van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van die Staat prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van die Staat aan die uitdrukking wordt gegeven.” Artikel 3, tweede lid, van het Verdrag verwijst naar het nationale recht. Eiser duidt met zijn stelling dat de eerste betaling invorderbaar en rentedragend is geworden, op artikel 3.146, eerste lid, van de Wet IB 2001. Artikel 3.146 van de Wet IB 2001 luidt als volgt: “1. Loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, (…) worden - voorzover niet anders is bepaald - geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn: a. ontvangen; b. verrekend; c. ter beschikking gesteld; d. rentedragend geworden of e. vorderbaar en inbaar geworden. (…)” De rechtbank overweegt dat laatstgenoemd artikel regelt op welk moment inkomsten worden geacht te zijn genoten. Het genietingsmoment is immers bepalend voor het heffingstijdstip. Dit artikel geeft echter geen nadere invulling van het begrip ‘ontvangen van betalingen’ in artikel 30 van het Verdrag. Het ontvangen van betalingen wordt in artikel 3.146 van de Wet IB 2001 genoemd als één van de momenten die heeft te gelden als genietingstijdstip. Het rentedragend of vorderbaar en inbaar worden zijn eveneens genietingsmomenten, maar vallen niet onder het begrip ‘ontvangen’. De rechtbank is van oordeel dat noch uit artikel 3.146 van de Wet IB 2001 noch uit enige andere regel van nationaal recht kan worden afgeleid dat aan de formulering ‘betalingen ontving’ in het Verdrag ook is voldaan op het moment dat recht bestaat op een betaling dan wel deze betaling rentedragend is geworden. Dat aan de formulering ‘betalingen ontving’ een ruimere betekenis moet worden toegekend dat het daadwerkelijk ontvangen van een bedrag, welke uitleg eiser voorstaat, volgt ook niet uit de parlementaire toelichting. Verweerder is dan ook terecht uitgegaan van een eerste betaling in augustus 2012 en heeft daarmee op goede gronden toepassing gegeven aan het Verdrag van 2008. (…) 20. Met betrekking tot de premies zorgverzekering en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet, is de Verordening (EG) 883/2004 (hierna: de Verordening) van toepassing. Artikel 11, derde lid, van de Verordening, luidt als volgt: Behoudens de artikelen 12 tot en met 16: a.
- a)geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
- b)geldt voor ambtenaren de wetgeving van de lidstaat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert;
- c)geldt voor degene die een werkloosheidsuitkering ontvangt overeenkomstig artikel 65 volgens de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, de wetgeving van die lidstaat;
- d)geldt voor degene die wordt opgeroepen of opnieuw wordt opgeroepen voor militaire dienst of vervangende burgerdienst in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
- e)geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen
- a)tot en met
- d)niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten. 21. Artikel 11, derde lid, regelt de toewijzing van de inkomsten voor de zogenaamde ‘inactieven’. De in geding zijnde pensioeninkomsten van eiser vallen derhalve onder het sub e gestelde. Deze bepaling wijst de belastingheffing toe aan het woonland. Hieruit volgt dat verweerder terecht de premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet heeft geheven. 22. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 23. Bij deze uitkomst van de procedure ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.” 5Beoordeling van het geschil 5.1. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank die op goede gronden, zoals opgenomen in rechtsoverwegingen 14 tot en met 17 en 20 en 21, juist is genomen en voegt hier het volgende aan toe. 5.2. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende meent is uit de parlementaire geschiedenis behorende bij het Verdrag niet af te leiden dat de bewoordingen ‘ontvangen van betalingen’ van artikel 30, lid 4, van het Verdrag dermate ruim dienen te worden geïnterpreteerd dat hieronder eveneens gevallen als het onderhavige, waarin onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Verdrag op 25 december 2010 (nog) geen sprake is van de daadwerkelijke uitbetaling (en aldus ontvangst van de pensioengelden), behoren te vallen. 5.3. In de parlementaire geschiedenis behorende bij artikel 30, lid 4, van het Verdrag is nader uiteengezet dat het de doelstelling van deze bepaling is om te voorkomen dat door een overgang van het heffingsrecht over de pensioeninkomsten van de kasstaat (het VK) naar de woonstaat (Nederland) zich bij pensioengerechtigden wijzigingen in de belastingdruk en dus inkomenseffecten zouden voordoen (zie Kamerstukken II 2009/2010, 32145, nrs. 3, 5 en 6). Uitgaande van deze doelstelling dient, naar het Hof begrijpt, sprake te zijn van reeds (daadwerkelijk) tot uitkering gekomen pensioengelden onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Verdrag op 25 december 2010. Indien dit niet het geval is doen de door de wetgever gevreesde inkomenseffecten zich niet voor daar de pensioengelden op dat moment nog niet worden uitbetaald en over die gelden (effectief) nog niet wordt geheven. Deze wetshistorische uitlegging is in lijn met een grammaticale interpretatie van de tekst, die de inspecteur voorstaat, waarin de bewoordingen letterlijk dienen te worden gelezen in die zin dat het moment van ontvangst van de gelden de verdeling van het heffingsrecht bepaalt. 5.4. Het Hof ziet, anders dan belanghebbende betoogt, in het bij Verdrag behorende Protocol tevens geenszins aanwijzingen voor de door belanghebbende voorgestane, ruime uitlegging. Slotsom Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. 6Kosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 7Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, M.J. Leijdekker en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. O. Ivecen als griffier. De beslissing is op 9 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.