← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2018:3971

afdeling strafrecht parketnummer: 23-004482-17 datum uitspraak: 19 oktober 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-135081-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 13 juli 2017 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer aan boord van een luchtvaartuig of op een luchthaven, aangewezen krachtens artikel 52, vijfde lid Wet wapens en munitie, één of meer wapens van categorie I, onder 4, te weten een creditcardmes, voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vordering van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel gelet op de omstandigheden van het geval. Vrijspraak De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, onder meer, omdat zijn cliënt zich er in het geheel niet bewust van was dat hij een wapen bij zich had. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het creditcardmesje lang geleden heeft gekocht, dat hij het toen in zijn portemonnee heeft gedaan in een apart vakje, en dat hij was vergeten dat het mesje in zijn portemonnee zat, waarbij de verdachte uitvoerig heeft aangegeven hoe een en ander is gegaan. Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen vereist is dat een verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid daarvan (Hoge Raad 14 juni 2016, ECLI:NL:2016:1193). Gelet op het dossier en de verklaring van de verdachte op de terechtzitting, heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat de verdachte zich, op het moment dat hij werd gecontroleerd op Schiphol, er in enige mate van bewust van was dat hij het creditcardmesje (nog) in zijn portemonnee bij zich droeg. Het hof is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Gelet op dit oordeel behoeft het verweer, dat geen sprake is van een zogenaamd blank wapen, geen bespreking. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Amsterdam, mr. S. Clement en C. Fetter, in tegenwoordigheid van D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 oktober 2018. Mr. S. Clement en mr. C. Fetter zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen. […]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.