afdeling strafrecht parketnummer: 23-003293-16 datum uitspraak: 16 november 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 31 augustus 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-255664-14 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1977, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 11 juli 2014 te Zaandam, gemeente Zaanstad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ), (krachtig) één of meermalen met zijn (tot vuist gebalde) hand in/tegen het gezicht, althans tegen/op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of éénmaal (met geschoeide voet) (met kracht) in de knieholte van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt en/of één of meermalen (met geschoeide voet) (krachtig) op/tegen/in de benen, althans het lichaam, van die [slachtoffer] heeft getrapt/geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Bespreking van het bewijsverweer De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit en heeft daartoe overeenkomstig zijn pleitnotities aangevoerd dat de verdacht een beroep op noodweer toekomt, nu de verdachte enkel meermalen en met beide armen van zich afgeduwd heeft om zichzelf te verdedigen, daar hij in eerste instantie een klap van aangever kreeg. Subsidiair verzoekt de raadsman om ontslag van alle rechtsvervolging, daar er sprake was van noodweerexces. Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding. Op basis van de te bezigen bewijsmiddelen en in het bijzonder de als betrouwbaar aangemerkte verklaringen van verkeersregelaar [naam] , stelt het hof het volgende vast. Het conflict tussen verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] ontstond in een verkeerssituatie. De verdachte wilde bij een afgesloten weg de verkeersregelaar een vraag stellen, maar het slachtoffer die de verkeersregelaar te hulp schoot persisteerde dat de verdachte moest doorrijden. Door de drukke manier van praten en doordat het slachtoffer wild met zijn armen stond te zwaaien, wekte hij irritatie en agressie op bij de verdachte, waarop de verdachte uit de auto stapte, richting de buschauffeur liep en hem begon te slaan. Uit het voorgaande en de overige te bezigen bewijsmiddelen leidt het hof af dat vanaf het moment dat de verdachte richting de buschauffeur liep hij in de kern bezien aanvallend heeft gehandeld en er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding. Het noodweerverweer wordt derhalve verworpen. Mede gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] oordeelt het hof dat de verdachte ook in de daarop volgende confrontatie met aangever hem opzettelijk mishandelend heeft geslagen en geschopt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 11 juli 2014 te Zaandam, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] , meermalen met zijn tot vuist gebalde hand tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en éénmaal in de knieholte van die [slachtoffer] heeft geschopt en meermalen tegen de benen van die [slachtoffer] heeft geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweerexces. In hetgeen is overwogen ten aanzien van het beroep op noodweer ligt besloten dat ook een beroep op noodweerexces niet kan slagen. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 uren vervangende hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] , waardoor laatstgenoemde pijn en letsel heeft ondervonden. De verdachte heeft zich hieraan schuldig gemaakt door [slachtoffer] met een gebalde vuist tegen het gezicht te slaan, in de knieholte te trappen en tegen de benen te schoppen. Zelfs als de verdachte het gedrag van aangever als drammerig en irritant heeft mogen ervaren, is het nog steeds ongeoorloofd om daar met geweld op te reageren zoals de verdachte dat heeft gedaan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangever verklaard dat hij zijn baan als buschauffeur kwijt is geraakt na het incident en dit heel erg vindt. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij een voor hem angstige situatie geschapen. Niet alleen de lichamelijke integriteit speelt hierbij een rol, maar ook het feit dat de mishandeling heeft plaatsgevonden op de openbare weg en is gezien door veel mensen. Dit brengt daarnaast voor de omstanders gevoelens van onrust en onveiligheid met zich mee. Het hof rekent dit de verdachte aan. Gelet op het voorgaande en in het bijzonder de ernst van het meermalen slaan en schoppen van het slachtoffer, acht het hof een hogere taakstraf dan in eerste aanleg is opgelegd, namelijk een van na te melden duur, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.562,18, bestaande uit € 1.562,18 (het aanvankelijk gevorderde minus de ter terechtzitting ingetrokken €385,- voor toekomstige schade) aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. De oorspronkelijke vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.062,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.