GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.201.348/ 01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 3184954 DX EXPL 14-282 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 november 2018 inzake [appellante] , wonende te [woonplaats], appellante, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, tegen DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellante] en Dexia genoemd. [appellante] is bij dagvaarding van 12 juni 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2015, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Dexia als eiseres en [appellante] als gedaagde. Vervolgens is een regiecomparitie gelast in 188 bij het hof aanhangige Dexia-zaken. Deze comparitie heeft op 12 december 2016 plaatsgevonden. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties; Partijen hebben de zaak, gelijktijdig met de zaak met zaaknummer 200.201.347/01, ter zitting van 9 maart 2018 doen bepleiten. [appellante] door mr. Maliepaard voornoemd en Dexia door mr. J.M.K.P. Cornegoor, advocaat te Haarlem, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt. Van de zijde van [appellante] zijn nog producties in het geding gebracht (genummerd 12 tot en met 22). Ten slotte is arrest gevraagd. [appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en Dexia in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vordering zal afwijzen, althans haar die zal ontzeggen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Dexia in de kosten van het hoger beroep alsmede in de nakosten. Dexia heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in haar hoger beroep, althans de door haar aangevoerde grieven te verwerpen en het bestreden vonnis te bevestigen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in appel, de nakosten daaronder begrepen. Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden. 2Feiten De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.7) de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Het gaat in deze zaak om het volgende. 2.1 [appellante] is de volgende leaseovereenkomsten aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna: de leaseovereenkomsten): Nr Contractnr. Datum Naam overeenkomst Looptijd Leasesom I 59126068 27-01-2001 Korting Kado 120 mnd f 10.565,93 II 59126067 27-01-2001 Korting Kado 120 mnd f 10.565,93 De leaseovereenkomsten zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid met het in de eerste kolom genoemde nummer. 2.2 Dexia heeft met betrekking tot de leaseovereenkomsten de volgende eindafrekeningen opgesteld: Nr Contractnr. Datum eindafrekening Resultaat I 59126068 24-01-2011 - € 947,91 II 59126067 24-01-2011 - € 947,91 2.3 Volgens opgave van Dexia heeft [appellante] op grond van de leaseovereenkomsten in totaal een bedrag van € 5.264,55 aan maandtermijnen en een bedrag van € 1.895,82 aan restschuld aan Dexia betaald. [appellante] heeft van Dexia een bedrag van € 1.042,18 aan dividenden ontvangen. 2.4 Bij brief van 21 december 2011 heeft Dexia het volgende - voor zover van belang - aan [appellante] bericht: “Dexia Nederland B.V. (…) is voornemens haar financiële verplichting jegens u te voldoen. (…) Dexia heeft ter compensatie van de door haar cliënten geleden schade een aantal regelingen getroffen, waaronder het Dexia Aanbod en de Duisenbergregeling. U heeft aangegeven van die regelingen geen gebruik te willen maken. Dexia erkent dat u desondanks aanspraak heeft op een vergoeding van de door u geleden schade en is voornemens het daarvoor in haar boeken opgenomen bedrag ter grootte van € 1.305,84 aan u uit te betalen.” Op 18 januari 2011 heeft Dexia het bedrag van € 1.305,84 aan [appellante] uitgekeerd. 2.5 Bij brief van 25 januari 2012 heeft [appellante] aan Dexia meegedeeld haar rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voor te behouden. 2.6 Bij brief van 21 maart 2014 heeft Dexia aan [appellante] meegedeeld dat zij een einde wil maken aan de onzekere situatie tussen haar en [appellante]. Dexia heeft [appellante] verzocht mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens [appellante] heeft voldaan en - zo niet - mee te delen en te onderbouwen welk bedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn. 2.7 [appellante] heeft hierop niet gereageerd. 3Beoordeling 3.1 Dexia heeft in eerste aanleg, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht gevorderd dat Dexia ten aanzien van de leaseovereenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellante] is verschuldigd, met kostenveroordeling. 3.2 De kantonrechter heeft de gevraagde verklaring voor recht toegewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met drie grieven op. 3.3 Het hof stelt vast dat niet gegriefd is tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 5.2 van het bestreden vonnis dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers - onder wie [appellante] - aanspraken jegens haar hebben en zo ja, tot welke omvang en op welke grond, ten einde in staat te zijn deze af te wikkelen. 3.4 De advocaat van Dexia heeft ter gelegenheid van het pleidooi verklaard dat zijn stellingen ter zake van de verrekening van fiscaal voordeel bij de vaststelling van de voor vergoeding in aanmerking komende schade als vervallen kunnen worden beschouwd. Deze stellingen kunnen daarom onbesproken blijven. 3.5 De grieven van [appellante] komen erop neer dat de kantonrechter ten onrechte de door Dexia gevorderde verklaring voor recht heeft toegewezen, omdat [appellante] nog vorderingen op Dexia heeft. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de door Dexia gevorderde verklaring voor recht dat zij niets meer aan [appellante] verschuldigd is, op Dexia. Op [appellante] rust vervolgens de verplichting om, wil zij niet dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten, zodanig dat daaruit de onjuistheid van de gevorderde verklaring voor recht van Dexia kan worden afgeleid. Tegen die achtergrond dient thans, op individueel niveau, te worden bezien op welke punten [appellante] meent nog vorderingen op Dexia te hebben. Uit de grieven blijkt dat [appellante] meent nog vorderingen op Dexia te hebben ter zake van de volgende onderwerpen: - positie Vero; - buitengerechtelijke kosten; - beurskoersen. Positie Vero 3.6 Met - naar het hof begrijpt - grief 1 stelt [appellante] dat recentelijk is gebleken dat de leaseovereenkomsten tot stand zijn gekomen door tussenkomst van het verkoopbedrijf Vero Telemarketing (hierna: Vero). [appellante] heeft dat niet eerder geweten, omdat Vero zich met toestemming van Dexia voordeed als ‘Legio Lease’. [appellante] stelt - kort weergegeven - dat Vero is opgetreden als een tussenpersoon die zonder over de op grond van de Wet toezichteffectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) vereiste vergunning of vrijstelling van die vergunningsplicht te beschikken beleggingsadvies aan [appellante] heeft gegeven. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 in de zaken [B.]/Dexia (ECLI:NL:HR:2016:2012) stelt [appellante] zich op het standpunt dat dat meebrengt dat de vergoedingsplicht van Dexia tegenover haar geheel in stand blijft en derhalve niet wordt verminderd wegens eigen schuld. 3.7 Dexia betwist dat het arrest in de zaak [B.]/Dexia rechtstreeks van toepassing is op onderhavige casus. Volgens Dexia was Vero niet vergunningplichtig onder de Wte 1995, omdat Vero niet als tussenpersoon fungeerde maar slechts als verlengstuk van Dexia. Voor zover eerdergenoemd arrest wel van toepassing zou zijn, betwist Dexia dat aan [appellante] een op de persoon gericht financieel advies is gegeven, dan wel dat Dexia daarvan wetenschap had. 3.8 Het hof overweegt als volgt. In de door partijen aangehaalde arrest [B.]/Dexia heeft de Hoge Raad geoordeeld dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Als de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet alleen heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de belegger als financieel adviseur is opgetreden en Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar waarschuwings- en onderzoeksplicht maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 Nadere Regeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.