afdeling strafrecht parketnummer: 23-001310-17 datum uitspraak: 6 november 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 31 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-004126-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de politierechter toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: primair: hij op of omstreeks 15 juli 2016 te Haarlem, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Staalstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit - het meermalen slaan en/of duwen tegen het gezicht, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer], waardoor of waarna die [slachtoffer] op de grond is gevallen en/of - (vervolgens) het meermalen slaan (met een stok, althans een hard houten voorwerp), stompen, schoppen en/of trappen tegen het gezicht, althans het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] op de grond lag; subsidiair: hij op of omstreeks 15 juli 2016 te Haarlem, te weten [slachtoffer] heeft mishandeld door deze meermalen te slaan (met een stok, althans een hard houten voorwerp), stompen, schoppen en/of trappen tegen het gezicht, althans het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] op de grond lag. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal om doelmatigheidsredenen worden vernietigd. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 15 juli 2016 te Haarlem met anderen op de openbare weg, de Staalstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] op de grond lag. Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde De raadsman van de verdachte heeft aan de hand van zijn aan het hof overgelegde pleitnotities een beroep op noodweer gedaan en (zo begrijp het hof de raadsman) verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft hij gesteld dat verdachte zich tegen [slachtoffer] moest verdedigen, toen die woest op verdachte af kwam lopen, waarop verdachte hem richting een portiek heeft geduwd. Toen [slachtoffer] weer naar buiten kwam had hij een stok in zijn handen en was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging door de verdachte geboden was. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Getuige [getuige 1] (dossierpag. 63 e.v.) , wiens verklaring ondersteund wordt door de verklaringen van getuige [getuige 2] en een onbekend gebleven getuige (dossierpag. 75 e.v.), heeft verklaard dat zij zag dat een man (het hof begrijpt: de aangever) met een stok in zijn hand achter twee jongens (het hof begrijpt: de medeverdachten) en een man (het hof begrijpt: de verdachte) aanrende. Zij zag dat de stok werd afgepakt door mensen die aldaar buiten stonden. Vervolgens vielen de verdachte en zijn medeverdachten de aangever aan. De aangever is toen op de grond gaan liggen en in een foetushouding gekropen. Hierop hebben de verdachte en zijn medeverdachten tegen de rug van de aangever geschopt. Getuige [getuige 1] verklaarde dat het schoppen met de voetzolen en met kracht ging, Zij zag dat de verdachte en zijn medeverdachten dit met hun voetzool en met kracht deden. Zij is ertussen gesprongen en heeft de verdachte en zijn medeverdachten weggeduwd. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat, zo er al op enig moment sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, deze in elk geval was geëindigd nadat de stok van de aangever was afgepakt en de aangever op de grond was gaan liggen. Aldus is het hof van oordeel dat er toen voor de verdachte geen noodzaak tot verdediging bestond en dat het beroep op noodweer derhalve moet worden verworpen. Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het primair bewezen verklaarde levert op: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Strafbaarheid van de verdachte De raadsman heeft voorts een beroep op noodweerexces gedaan, stellende dat het handelen van de verdachte, indien sprake was van een overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging, het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging – te weten de angst voor toch minimaal een zware mishandeling met een knuppel – die door die aanranding was veroorzaakt. Het hof verwerpt het beroep op noodweerexces, nu – zoals hiervoor vastgesteld – er voor de verdachte geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarenboven – zo overweegt het hof ten overvloede – is feitelijk niet aannemelijk geworden dat de verdachte toen hij met zijn medeverdachten het slachtoffer tegen zijn rug schopte, handelde onder invloed van een hevige gemoedsbeweging. Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf en maatregel De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging door samen met anderen het slachtoffer te schoppen tegen het lichaam, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. De verdachte en het slachtoffer zijn buurtgenoten en hebben regelmatig onenigheden, meestal over het gedrag van hun kinderen. Het slachtoffer is in zijn strafzaak veroordeeld tot een taakstraf voor misdragingen tegen de verdachte. Deze volledig uit de hand gelopen buurtonenigheid waar de kinderen getuige van zijn geweest rekent het hof de verdachte aan. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.250,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.