afdeling strafrecht parketnummer: 23-002461-17 datum uitspraak: 23 november 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-241715-16 (hierna: zaak A) en 13-046545-17 (hierna: zaak B) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988, adres: [adres]. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak B (parketnummer 13-046545-17) onder 1 en 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlasteleggingen Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak A (parketnummer 13-241715-16): 1:hij op of omstreeks 22 augustus 2016 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze op, tegen of in het gezicht, althans op of tegen het hoofd te slaan of stompen en/of door die [slachtoffer 1] tegen het lichaam te duwen. Zaak B (parketnummer 13-046545-17) (gevoegd): 3:hij op of omstreeks 19 november 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door - voornoemde [slachtoffer 2] met kracht vast te pakken en te duwen tegen/over een roltrap en/of een reling/leuning behorende bij die roltrap en/of - voornoemde [slachtoffer 2] op zodanige manier vast te pakken en/of te duwen dat [slachtoffer 2] (hard) ten val is gekomen en/of - voornoemde [slachtoffer 2] te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen en/of -(met kracht) voornoemde [slachtoffer 2] een knietje te geven in zijn/haar rug. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis, voor zover dat in hoger beroep aan het oordeel van het hof is onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vrijspraak Verdachte was in de nacht van 19 november 2016 als buitengewone opsporingsambtenaar werkzaam op het Centraal Station in Amsterdam. In die nacht heeft de verdachte [slachtoffer 2] aangehouden, waarbij beide partijen op de grond terecht zijn gekomen en de verdachte onder andere een knietje in de rug van [slachtoffer 2] heeft gegeven. De verdachte heeft ook erkend dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft verricht. Het hof acht dan ook, gelet op het voorgaande, bewezen dat de verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd jegens [slachtoffer 2]. Het hof is echter met de raadsvrouw van oordeel dat de verdachte een geslaagd beroep op artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht toekomt en heeft gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Het hof overweegt daartoe dat [slachtoffer 2] zelf heeft verklaard te hebben gescholden jegens de verdachte en hem te hebben geduwd en geslagen. Op grond van artikel 7, negende lid, van de Politiewet en artikel 37 van de Ambtsinstructie voor de politie, Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren, was de verdachte gerechtigd om gelet om deze omstandigheden bij de aanhouding van [slachtoffer 2] gepast geweld te gebruiken. Aangezien daardoor de wederrechtelijkheid, die impliciet besloten ligt in het bestanddeel “mishandeld”, niet kan worden bewezen, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder zaak B feit 3 ten laste gelegde feit. Bewijsoverweging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder zaak A ten laste gelegde, de mishandeling van [slachtoffer 1], nu slechts bewezen kan worden dat sprake is geweest van duw- en trekwerk en er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte aangever heeft gestompt. Aldus is geen sprake van mishandeling. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt. Het hof heeft naast de aangifte acht geslagen op de getuigenverklaring van [getuige], die zeer gedetailleerd heeft verklaard over het incident en heeft verklaard dat de verdachte een stomp in het gezicht van aangever heeft gegeven. Dit wordt tevens ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten aangaande de camerabeelden van het incident, waaruit blijkt dat aangever direct na het incident met de verdachte aan zijn linkeroogkas voelt. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte aangever in het gezicht heeft gestompt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A (parketnummer 13-241715-16) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1:hij op 22 augustus 2016 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze tegen het gezicht te stompen. Hetgeen in de zaak A (parketnummer 13-241715-16) meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen zijn vervat. Bewijsmiddelen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.