← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2018:461

beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM Rekestnummer: R 001346-17 (591a Sv HB) Proces-verbaalnummer politie: 2016131030 Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2017 op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoekster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980, domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. T.W. Gijsberts, [adres] . 1Inhoud van het verzoek Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 399,30 ter zake van de kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer. van een forfaitaire vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van het onderhavige verzoek. 2Procesverloop Het hoger beroep is op 24 maart 2017 ingesteld door verzoekster (hierna: appellante). Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer en heeft op 22 december 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van appellante ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellante is niet verschenen. 3Beoordeling van het hoger beroep Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het inleidende verzoek is tijdig ingediend. De strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering. De redenering van de rechtbank, voor zover inhoudende dat verzoekster de schade, waarvoor zij thans vergoeding vraagt, dient te verhalen op haar (ex-)partner als “duidelijk aanwijsbare veroorzaker ervan” en niet op de overheid, vindt geen steun in het recht. Indien en voor zover naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman, kan hij daartoe op de voet van art. 591a lid 2 Sv besluiten. Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:2013:BX5566 volgt dat bij het billijkheidsoordeel van de rechter omtrent het toekennen van een dergelijke vergoeding en bij het bepalen van de hoogte daarvan – waarbij het in wezen gaat om de beantwoording van de vraag of het redelijk is dat de kosten van rechtsbijstand voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten of geheel of gedeeltelijk uit ’s Rijks kas dienen te worden vergoed – ook kan worden betrokken in hoeverre de gewezen verdachte de gemaakte kosten aan zich zelf te wijten heeft. Het hof is van oordeel, anders dan de rechtbank, dat het op basis van de voorhanden zijnde informatie niet redelijk is om de kosten voor rechtsbijstand voor rekening van appellante te laten (vgl. gerechtshof Amsterdam 22 juni 2016, NBSTRAF 2016/154). Gelet op het voorgaande acht het hof het hoger beroep gegrond. Nu het hoger beroep gegrond wordt geoordeeld zal het hof bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet had behoren te geschieden. Het hof acht in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand zoals verzocht, te weten ten bedrage van € 399,30. Het hof acht voorts gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de forfaitaire vergoeding voor rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure ad € 830,00 (indienen en behandeling in eerste aanleg ad € 550,00 en behandeling in hoger beroep ad € 280,00). 4Beslissing Het hof: Vernietigt de beschikking waarvan beroep. Wijst het verzochte toe. Kent ten laste van de Staat aan appellant een vergoeding toe van € 1.229,30 (duizend tweehonderdnegenentwintig euro en 30 cent). Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant. Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. M.J.A. Plaisier, A.M. Ruige en M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 19 januari 2018. De voorzitter beveelt: de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 1.229,30 (duizend tweehonderdnegenentwintig euro en 30 cent), te betalen uit ’s Rijks kas aan appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam]. Amsterdam, 19 januari 2018. Mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.