← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2018:4620

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001077-17 datum uitspraak: 14 december 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-995008-13 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans gedetineerd in [detentieadres] . 1Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2017, 15 januari 2018, 5 november 2018, 8 november 2018, 9 november 2018, 13 november 2018, 15 november 2018, 16 november 2018, 19 november 2018 en 30 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden, alsmede van hetgeen door en/of namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht. 2Omvang van het hoger beroep Het openbaar ministerie heeft beperkt hoger beroep ingesteld, te weten tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie voor wat betreft het onder 63, 64, 65 en 66 telkens primair tenlastegelegde en tegen de vrijspraak van het onder die feiten telkens subsidiair tenlastegelegde. Namens de verdachte is onbeperkt hoger beroep ingesteld. 3Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5, 44, 48, 50 is tenlastegelegd. De verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld en dit is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Het openbaar ministerie heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze feiten. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. 4Tenlastelegging Aan de verdachte is, kort samengevat, tenlastegelegd dat hij: een gewoonte heeft gemaakt van het vervaardigen, verwerven, verspreiden, openlijk tentoonstellen en/of in bezit hebben van kinderporno van 28 minderjarige meisjes; 33 minderjarige meisjes heeft aangerand of verleid, of dat heeft geprobeerd; 4 meerderjarige mannen heeft afgedreigd of opgelicht en één meerderjarige man heeft geprobeerd af te dreigen of op te lichten; computervredebreuk heeft gepleegd en een computerprogramma voorhanden heeft gehad om computervredebreuk te plegen; 9 personen heeft opgelicht; documenten heeft vervalst en van die vervalste documenten gebruik heeft gemaakt; 1.500 gram DMT aanwezig heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. De tekst van de tenlastelegging, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, is opgenomen in bijlage I. 5Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een deels andere bewezenverklaring en deels andere beslissingen op vorderingen van benadeelde partijen en ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen komt en andere overwegingen ten grondslag legt aan zijn beslissingen dan de rechtbank. 6Inleiding Hieronder schetst het hof onder (A) beknopt de aanloop tot het onderzoek Disclosure, de aanhouding van de verdachte en het beslag op een groot aantal gegevensdragers in de woning van de verdachte aan [park B] . Vervolgens worden onder (B) enkele overwegingen gewijd aan het gebruik van de Facebookrapporten bij de beoordeling van enkele ontkoppelingsverweren van de verdediging. Het hof zal, net als de rechtbank, op verzoek van de slachtoffers die in de D-deeldossiers figureren hen niet bij hun naam noemen, maar hen telkens aanduiden als D, met daarop volgend het cijfer dat aan het desbetreffende deeldossier is gerelateerd. (A) Op 17 september 2013 is het onderzoek Disclosure gestart naar aanleiding van twee rapporten van Facebook, die de Nederlandse politie op 13 mei 2013 en op 6 september 2013 had ontvangen, en de op hoofdlijnen daarmee overeenkomende informatie van de site Habbo Hotel. Facebookrapporten Volgens Facebook hield een onbekend persoon met minstens 86 onderling verbonden Facebook-accounts zich bezig met het verzamelen, produceren en verspreiden van afbeeldingen van kinderuitbuiting. Deze onbekende zou ook tientallen minderjarige meisjes chanteren, waarbij gebruik werd gemaakt van bedoelde afbeeldingen. Deze persoon zou tevens een aantal meerderjarige mannen chanteren. Hij legde beelden vast waarop deze mannen masturbeerden terwijl zij veronderstelden dat zij aan het webcammen waren met minderjarige jongens. Vervolgens eiste deze persoon dat geld zou worden betaald, omdat de opgenomen beelden anders zouden worden verspreid onder vrienden en familie van de desbetreffende man. Habbo Hotel De Nederlandse politie ontving in juli 2013 informatie van Habbo Hotel. Op die site had iemand die zich voordeed als een lesbienne geprobeerd een aantal minderjarige meisjes te verleiden tot webcamseks. Die persoon had een groot aantal Habbo-accounts aangemaakt. Habbo Hotel veronderstelde dat deze persoon vaak van IP-adres wisselde. De door Facebook en Habbo Hotel beschreven werkwijze van de onbekende vertoonde op een aantal kenmerkende onderdelen overeenkomsten. Beide maakten in dit verband tevens melding van een gebruiker die zichzelf [naam 1] of [variant 1 naam 1] noemde. Volgens Facebook werd gebruik gemaakt van valse identiteitsgegevens, afgeschermde IP-adressen, afgeschermde internetverbindingen en van een Nederlands IP-adres: [ip-adres A] . Bij de registratie van één van de Facebook-accounts is een Nederlands mobiel telefoonnummer ( [telefoonnummer 1] ) opgegeven. IP-adres [ip-adres A] Het IP-adres [ip-adres A] bleek te horen bij een woning van [persoon A] op het [park A] . Dit IP-adres (hierna: [ip-adres A] ) was in de Nederlandse politiesystemen bekend uit een oplichtingszaak van 2011 in [plaats 1] met de naam ‘ [onderzoek] ’ (feit 69). In die zaak hebben diverse personen aangifte gedaan van oplichting, toen zij in januari 2011 de woning aan de [straat 1] in [plaats 1] wilden huren. Zij betaalden bedragen aan huur en een borgsom, maar konden uiteindelijk de gehuurde woning niet betreden. Ook door de eigenares van de woning is aangifte gedaan van oplichting. De oplichter maakte in de emailwisseling met haar gebruik van het [ip-adres A] . In het ‘ [onderzoek] ’ -onderzoek had de politie het ernstige vermoeden dat de verdachte degene achter de oplichtingen was. De verdachte is in januari 2011 in het trappenhuis van de [straat 1] aangetroffen door de politie en hij heeft bij de [plaats 1] politie eind december 2013 bekend dat hij de dader was. Telefoonnummer [telefoonnummer 1] Ook het door Facebook vermelde telefoonnummer [telefoonnummer 1] kwam voor in de Nederlandse politiesystemen. [persoon B] heeft verklaard dat [naam 2] in juni/juli 2011 heeft geprobeerd haar op te lichten bij het huren van de woning aan de [straat 2] in [plaats 1] (feit 70). [naam 2] had haar een huurovereenkomst toegezonden met zijn naam als verhuurder en zijn telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De werkwijze van deze oplichter leek sterk op die van de oplichter in de [straat 1] in [plaats 1] . In beide zaken werd gebruik gemaakt van valse paspoortkopieën, waarop telkens dezelfde persoon op de pasfoto’s te zien was. Politieambtenaren hebben de verdachte op al deze foto’s herkend. Skrill/Moneybookers In oktober 2013 ontving de Nederlandse politie informatie uit Engeland van de online bank Skrill, voorheen genaamd Moneybookers. Bij deze bank kon een rekeninghouder een account aanmaken met een emailadres. In Engeland was onderzoek gedaan naar afgedwongen betalingen door volwassen mannen via deze bank. Eén van de Skrill-accountnamen was te herleiden tot een slachtoffer van de hiervoor genoemde woningoplichtingen in [plaats 1] , te weten [persoon C] ( [onderzoek] [straat 1] in [plaats 1] ). Twee andere Skrill-accountnamen waren te herleiden tot [persoon B] en [persoon D] die belangstelling hadden getoond voor het huren van de woning aan de [straat 2] in [plaats 1] , maar uiteindelijk niet met de zogenaamde verhuurder in zee waren gegaan. Bij het account van [persoon D] zijn het hiervoor genoemde telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het adres [straat 3] opgegeven. Met verstrekking van de personalia van de verdachte is op 7 januari 2011 eveneens een bankrekening bij Skrill geopend, waarbij een adres in België werd opgegeven. In de woning van de verdachte heeft de politie van verschillende Skrill-accounts documenten en Mastercards (van toen nog Moneybookers geheten) aangetroffen op naam van slachtoffers van de (pogingen tot) woningoplichting, die aan de oplichter een kopie van hun paspoort hadden verstrekt. In twee jaar tijd werd via Western Union meer dan 30.000 euro overgemaakt naar de verdachte en naar voornoemde Skrill-accounts. Een deel van dat geld was afkomstig van meerderjarige Engelse mannen. Het geld werd deels contant opgehaald na legitimatie met een paspoort op naam van de verdachte, dat na zijn aanhouding in zijn woning is aangetroffen. Op 1 december 2013 zijn camerabeelden gemaakt van de persoon die het geld opnam, op welke beelden politiemedewerkers de verdachte hebben herkend. De verdachte heeft voorafgaand aan deze geldopname telefonisch contact opgenomen met de desbetreffende vestiging van het GWK [plaats 2] en heeft daarbij zijn eigen naam genoemd. [straat 3] en [park B] Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Verder bleek daaruit dat de verdachte in augustus 2013 verbleef op vakantiepark [straat 3] en dat hij eind november 2013 zou verhuizen naar een ander park genaamd [park B] . Tijdens observaties is gebleken dat de verdachte daar een gesprek heeft gevoerd en met ingang van 26 november 2013 als enige de woning [park B] is gaan bewonen. Internetgebruik [park B] Vanaf 27 november 2013 werd geconstateerd dat de omvang van het internetgebruik door de gebruiker van het [ip-adres A] , behorend bij een woning die zich vlakbij [park B] bevond, opvallend toenam en dat andere sites werden bezocht dan vóór die datum. Uit een IP-tap in combinatie met resultaten van een telefoontap bleek dat de verdachte op 9 december 2013 dit IP-adres gebruikte bij de bestelling van een maaltijd. Vanaf 27 november 2013 werd op dit IP-adres vaak VPN gebruikt. Met machtiging van de rechter-commissaris is een technisch hulpmiddel (een zogenaamde keylogger) geplaatst op twee computers in de woning van de verdachte, [park B] , en zijn microfoons in die woning geplaatst om vertrouwelijke communicatie op te nemen. Dit vond plaats in de periode van 20 tot 23 december 2013, toen de verdachte in [plaats 1] vast zat in verband met de verdenking van betrokkenheid bij de genoemde [plaats 1] woningoplichtingen. Ook is toen geïnventariseerd welke voor het onderzoek mogelijk relevante voorwerpen in de woning [park B] aanwezig waren, waaronder met name gegevensdragers en bescheiden, om deze na de aanhouding van de verdachte (op 13 januari 2014) in de onderhavige strafzaak te kunnen vergelijken met de dan aanwezige voorwerpen. Aanhouding van de verdachte De verdachte is op 13 januari 2014 in zijn woning [park B] aangehouden. Een groot aantal voorwerpen is inbeslaggenomen, onder meer een laptop, een desktop en een groot aantal harde schijven. Uit digitaal onderzoek is gebleken dat op een aantal van deze gegevensdragers vele bestanden staan die in verband kunnen worden gebracht met de tenlastegelegde feiten. (B) De advocaten-generaal hebben opgemerkt dat de uit de Facebookrapporten verkregen informatie is gebruikt als startinformatie van het Disclosure-onderzoek en dat zij niet het gebruik als bewijsmiddel van die rapporten beogen. Het hof zal de informatie van Facebook slechts in beperkte mate voor het bewijs gebruiken, onder andere voor zover die informatie ziet op door de verdediging ingenomen stellingen die strekken ter motivering van de verweren dat de verdachte noch gekoppeld kan worden aan door Facebook genoemde relevant geachte IP-adressen noch aan het hiervoor vermelde telefoonnummer dat is gebruikt bij het aanmaken van een Facebook-account. Verder acht het hof data afkomstig van Facebook op accountniveau, zoals over naamswijzigingen van een account of bij een account geregistreerde emailadressen, net als bijvoorbeeld data betreffende van een bepaald account verzonden berichten, bruikbaar voor het bewijs. De betrouwbaarheid van die data is niet gemotiveerd bestreden. Naar het oordeel van het hof staat de betrouwbaarheid van die data buiten twijfel. Aan de overige inhoud van de rapporten kleeft het bezwaar dat daarin conclusies worden getrokken waarvan de grondslag, bij gebreke van een toereikende nadere door Facebook verstrekte toelichting, niet getoetst kan worden. Dat bezwaar kleeft niet aan de zojuist genoemde data. 7Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging De advocaten-generaal hebben betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de onder 63 tot en met 66 telkens primair tenlastegelegde feiten. Daartoe is aangevoerd dat het tenlastegelegde hier telkens een klachtdelict betreft en niet kan worden vastgesteld dat de klacht binnen de wettelijke termijn van drie maanden is gedaan. Uitzonderlijke omstandigheden die maken dat ondanks het overschrijden van de klachttermijn vervolging mogelijk is, doen zich niet voor, aldus de advocaten-generaal. Het hof overweegt als volgt. Aan de verdachte is tenlastegelegd onder 63 primair een poging tot afdreiging en onder 64 primair, 65 primair en 66 primair telkens een voltooide afdreiging, strafbaar gesteld in artikel 318, lid 1, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in verbinding met artikel 45 Sr wat de poging betreft. Na het verkrijgen van compromitterend beeldmateriaal zou de verdachte, door te dreigen dit materiaal te verspreiden, een viertal meerderjarige mannen hebben gedwongen, of hebben geprobeerd te dwingen, tot betalingen. Artikel 318, lid 3, Sr houdt in dat dit misdrijf alleen wordt vervolgd op klacht van degene tegen wie het is gepleegd. Het afhankelijk stellen van de mogelijkheid tot vervolging van de wil van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd – een weinig voorkomende uitzondering in het Nederlandse strafrecht – steunt blijkens de wetsgeschiedenis op de mogelijkheid dat bij vervolging het bijzonder belang van het slachtoffer groter nadeel lijdt dan het openbaar belang. Dit bijzonder belang is hierin gelegen dat ongewenste ruchtbaarheid die de door het delict getroffene als pijnlijk ervaart, wordt vermeden. De klacht moet op grond van artikel 66, lid 1, Sr worden ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Door het stellen van die termijn wordt – in de woorden van de memorie van toelichting bij het ontwerp-wetboek – voorkomen dat "aan een persoon tegen een ander een wettelijk zwaard in handen [wordt] gegeven, waarvan hij jaren lang, gedurende den geheelen verjaringstermijn, gebruik zoude kunnen maken. Daarenboven eischt het maatschappelijk belang eene spoedige vervolging der misdrijven, en het mag dus niet aan de willekeur van den tot klagte geregtigde worden overgelaten, het instellen der publieke actie tot de uiterste grens van den verjaringstermijn op te houden". (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, 1891, p. 498) Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de klachtgerechtigde bij een delict als het onderhavige zijn bevoegdheid slechts gedurende de in de wet genoemde klachttermijn kan uitoefenen. In zoverre is zijn macht te bepalen of de verdachte wordt vervolgd in tijd begrensd. Dat betekent dat in het geval dat voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennis genomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit (vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242). Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de termijn van drie maanden door de betrokken klachtgerechtigden (D36 t/m D39) in acht is genomen. Het behoeft geen betoog dat juist de tegenover hen geuite dreigementen en de angst voor ontdekking bij feiten als hier tenlastegelegd, meebrengen dat de slachtoffers daarvan ernstig geremd kunnen zijn in het benaderen van de opsporingsautoriteiten. De huidige regeling in voormelde bepalingen van het Wetboek van Strafrecht heeft daarmee als ongerijmd gevolg dat naarmate de degene die zich schuldig maakt aan afdreiging er beter in slaagt door intimidatie en het zaaien van angst het slachtoffer te weerhouden van een stap naar de politie, hij daarmee kan bewerkstelligen dat hij voor dat strafbare feit niet vervolgd kan worden. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft daarop in een uitspraak van 20 februari 2017 ook al gewezen (ECLI:NL:GHARL:2017:1450). Blijkens de concept-memorie van toelichting bij het concept-wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering heeft deze kwestie de aandacht van de wetgever. Daarin wordt voorgesteld de klachttermijn van drie maanden te laten vervallen. Onder de huidige wettelijke regeling ziet het hof in de onderhavige zaak geen ruimte het openbaar ministerie ontvankelijk te oordelen in de vervolging van deze feiten. Het openbaar ministerie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van de onder 63 primair, 64 primair, 65 primair en 66 primair tenlastegelegde feiten, zoals de advocaten-generaal ook zelf hebben gevorderd. Opmerking verdient dat dit niet in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de verwijten die de verdachte zijn gemaakt van zijn handelen tegenover deze personen, zoals telkens subsidiair onder 63 tot en met 66 tenlastegelegd. 8Onderzoekswensen en artikel 6 EVRM De verdediging heeft het hof bij pleidooi wederom verzocht de verzoeken die zij op de terechtzitting van 5 november 2018 heeft gedaan en die het hof op de terechtzitting van 8 november 2018 heeft afgewezen, in te willigen. Het gaat hierbij om verzoeken die betrekking hebben op de (tot op heden) geweigerde inzage in de forensische kopieën van alle gegevensdragers, inzage in alle opnamen/resultaten van de ingezette keylogger en inzage in de WE-logs en VPN-logs, nader onderzoek naar de “verdwijning” van de keylogger van een van de computers van de verdachte, nader onderzoek door een deskundige van het installatieproces van de keylogger, verstrekking van alle IP-taps, onderzoek (door een deskundige) van de Facebookrapporten en verstrekking van niet eerder vrijgegeven gedeelten van die rapporten, nader onderzoek (door een deskundige) van de OVC-opnamen, verstrekking van de Skype-gegevens van alle D’s, verstrekking van informatie over de Britse undercoveroperatie en nader onderzoek naar vormverzuimen voorafgaande aan de aanhouding van de verdachte. De verdediging heeft, onder verwijzing naar hetgeen zij op de terechtzitting van 5 november 2018 over artikel 6 Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naar voren heeft gebracht, betoogd dat de verdachte naar zijn gevoel op geen enkel moment in de procedure voldoende mogelijkheid heeft gehad zijn verdediging goed voor te bereiden en vervolgens goed uit te bouwen. Hij meent dat zonder inzage in alle gegevens geen conclusie valt te trekken over de relevantie van de niet verstrekte gegevens. Naar het oordeel van de verdediging kan de weigering (inzage

  1. in)gegevens te verstrekken niet worden gebaseerd op de bescherming van de privacy van de slachtoffers en derden, nu de verdediging al beschikte over zeer veel privacygevoelige informatie omdat die zich in het dossier bevond en zij niets van die informatie heeft prijsgegeven of anderszins gebruikt. De conclusie is, aldus de verdediging, dat de verdachte door het niet honoreren van zijn onderzoekswensen onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn verdediging practical and effective voor te bereiden en te voeren, zodat artikel 6 EVRM is geschonden. Daaraan heeft de verdediging het verzoek verbonden die schending ongedaan te maken en alsnog het gevraagde onderzoek te gelasten. De advocaten-generaal hebben hierop bij repliek als volgt gereageerd, mede onder verwijzing naar hetgeen zij hebben opgemerkt in hun ‘regiebrief’ van 22 november 2017 en in hun op schrift gestelde reactie van 5 november 2018 op de op die terechtzitting gedane onderzoekswensen van de verdediging. Afwijzing van de onderzoekwensen van de verdediging brengt in deze zaak niet mee dat geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, mede in aanmerking genomen dat na het gereed komen van het eindproces-verbaal nog veel aanvullend onderzoek is verricht naar aanleiding van vragen en verzoeken van de verdediging. Daarnaast kunnen zwaarwegende opsporingsbelangen – zoals de noodzaak dat de werking en de wijze van plaatsing van de keylogger niet bekend wordt – en privacybelangen – die er onder meer toe strekken secundaire victimisatie van de slachtoffers te voorkomen – leiden tot afwijzing van onderzoekwensen zonder dat dit een schending van artikel 6 EVRM oplevert. De onderzoekswensen van de verdediging liggen ook thans voor afwijzing gereed. Bij dupliek heeft de verdediging er, onder verwijzing naar het EHRM in zijn uitspraak van 31 maart 2009 (het hof begrijpt: 8 december 2009) (Janatuinen vs. Finland) nog op gewezen dat het weigeren van toegang tot bewijsmateriaal alleen is toegestaan als dat strikt noodzakelijk is en dat de moeilijkheden die de verdediging ondervindt als gevolg van die weigering moeten worden gecompenseerd, terwijl van enige compensatie in de onderhavige zaak geen sprake is. Het hof stelt, zoals het ook op de terechtzitting van 8 november 2018 heeft overwogen in reactie op de onderzoekswensen van de verdediging, het volgende voorop. Het gaat bij de beoordeling van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM om de procedure als geheel (de overall fairness of the trial). Aan artikel 6 EVRM valt geen ongeclausuleerd recht op kennisneming van, of beschikking over, álle resultaten van het opsporingsonderzoek te ontlenen noch behelst die bepaling aanspraak op het verrichten van elk door de verdediging wenselijk geacht onderzoek. Voorts mogen aan de motivering van onderzoekswensen eisen worden gesteld. Verzoeken om inzage of nader onderzoek die onvoldoende specifiek en concreet zijn of die elke relevantie missen voor beslissingen in deze zaak, komen in aanmerking voor afwijzing zonder dat daarmee geacht kan worden tekort te zijn gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces of aan het beginsel van equality of arms. In de onderhavige zaak is, zoals ook door de advocaten-generaal is opgemerkt, in eerste aanleg veel nader onderzoek verricht naar aanleiding van verzoeken van de verdediging en zijn in aanvullende processen-verbaal veel vragen van de verdediging beantwoord, een en ander mede ten aanzien van de inzet van de keylogger. Het hof heeft ten aanzien van vele onderzoekswensen die in hoger beroep zijn geventileerd, geoordeeld dat die onvoldoende zijn onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te komen; specifieke aanvullende motiveringen zijn bij pleidooi of dupliek niet aangedragen. In de kern komen die verzoeken neer op fishing expeditions. De specifieke relevantie daarvan voor door het hof te nemen beslissingen is niet nader aangeduid; de motivering kenmerkt zich vooral door algemeenheden en speculaties. Op dergelijke verzoeken is de overweging van het EHRM dat het weigeren van toegang tot bewijsmateriaal alleen is toegestaan als dat strikt noodzakelijk is, naar het oordeel van het hof niet van toepassing. Opmerking verdient verder dat, zoals de rechtbank dat in eerste aanleg heeft gedaan, het hof de verdediging op diverse momenten in de procedure in hoger beroep veel ruimte heeft geboden verzoeken om nader onderzoek te doen en deze van een uitgebreide toelichting te voorzien. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid heeft het hof de verdediging daartoe ook nog in de gelegenheid gesteld op een moment waarop dat niet gebruikelijk is, te weten lang nadat naar aanleiding van de daartoe bestemde regiezitting (op 1 december 2017) reeds op verzoeken van de verdediging was beslist (op 15 januari 2018). Een aantal verzoeken is naar aanleiding van de regiezitting door het hof toegewezen. Waar het hof verzoeken van de verdediging heeft afgewezen is dat gebeurd op basis van – vanzelfsprekend – een grondige bestudering van het aangevoerde en heeft het hof zijn beslissingen gemotiveerd. Over de opstelling van de verdachte in dit verband heeft het hof enige observaties opgenomen in zijn motivering van de beslissingen (van 8 november 2018) op de verzoeken van de verdediging van 5 november 2018. In het licht van deze gang van zaken, de daarbij tussen de verdediging en de advocaten-generaal gewisselde argumenten en de door het hof voor zijn beslissingen gegeven motivering, is het hof van oordeel dat aan de verdediging geen bewijsmateriaal is onthouden dat – in de woorden van het EHRM – “contains such particulars which could enable the accused to exonerate himself or have his sentence reduced”. Daar komt bij dat de verdachte de mogelijkheid heeft gehad zich te verdedigen, van welke mogelijkheid onder meer bij pleidooi en dupliek uitvoerig gebruik is gemaakt. Het feit dat de verdachte niet zelf het woord heeft gevoerd is zijn eigen keuze geweest, die niet aan het openbaar ministerie of het hof kan worden tegengeworpen. In zoverre heeft de verdachte zichzelf vrijwillig beperkt in zijn verdediging. Aan de raadslieden heeft het niet gelegen; zij hebben zich op adequate wijze gekweten van hun verplichting ter verdediging van de verdachte de nodige verweren te voeren. Voor zover de resultaten van de keylogger en de OVC voor het bewijs zullen worden gebruikt, gaat het om bewijsmateriaal dat verre van decisive is: het is bewijsmateriaal dat ondersteuning biedt op een enkel detail waar de bewijsvoering als geheel in wezen gemakkelijk zonder kan. Ook overigens ziet het hof geen grond terug te komen van zijn beslissingen van 8 november 2018 en de daarvoor gegeven motivering, die als hier herhaald moet worden beschouwd. Van schending van artikel 6 EVRM is naar het oordeel van het hof geen sprake. 9De inzet en resultaten van de keylogger Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft gesteld dat de resultaten van het op de laptop en de desktopcomputer in de woning van de verdachte geïnstalleerde technisch hulpmiddel waarmee schermafbeeldingen en toetsaanslagen zijn vastgelegd (hierna ook aangeduid met de term ‘keylogger’) niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden omdat: a. de keylogger onrechtmatig is ingezet, zodat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, en b. aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de resultaten van de keylogger. Deze stellingen zijn door de verdediging als volgt toegelicht. Ad a. De in dit geval gebruikte keylogger is een softwarematig technisch hulpmiddel, waaraan bij de installatie aanpassingen moeten worden gedaan. Die aanpassingen bestonden uit het na installatie op de computers in de woning van de verdachte aanvinken welke programma’s werden opgenomen, dat informatie moest worden verzonden en wat het tijdsinterval tussen de op te nemen screenshots was. Het feit dat aanpassingen bij de installatie nodig waren, blijkt ook uit de omstandigheid dat de keylogger aanvankelijk niet correct functioneerde en pas na hernieuwd installeren en instellen gegevens naar de politie verzond. Daarom is ten onrechte volstaan met keuring vooraf en had de keylogger op grond van artikel 19 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (hierna ook: het Besluit) na afloop van de inzet daarvan gekeurd moeten worden. Dit geldt temeer nu de keylogger programma’s kon opnemen die niet onder de noemer vertrouwelijke communicatie vallen, zodat het van de instellingen na installatie afhangt of de keylogger correct functioneert en voldoet aan de wettelijke eisen. Daar komt bij dat het Besluit niet toestaat technische hulpmiddelen te gebruiken waarvan de broncode niet bekend is bij de autoriteiten. Betoogd is verder dat het beoordelingskader uit het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4650) (betreffende het inmiddels vervallen Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden) niet ziet op softwarematige technische hulpmiddelen. Bij die hulpmiddelen heeft de rechter onder het nu geldende Besluit meer ruimte om te beoordelen of zij aan de wettelijke eisen voldoen, mede gezien de gewijzigde keuringsprocedure die nu geheel in handen is gelegd van de Keuringsdienst van het Korps landelijke politiediensten (thans: Landelijke Eenheid, dienst operationele samenwerking). Ad b. Volgens de verdediging blijkt uit zes punten dat de keylogger niet goed heeft gefunctioneerd: 1. Er is sprake van discrepanties: teksten die zichtbaar zijn op de schermafbeeldingen kunnen in de vastgelegde toetsaanslagen niet worden teruggevonden. Het gebruik van de functie kopiëren-plakken biedt geen afdoende verklaring voor de geconstateerde verschillen. De omstandigheid dat de resultaten van de keylogger niet zijn aangetroffen op de gegevensdragers in de woning van de verdachte bevestigt dat de vastgelegde handelingen niet hebben plaatsgevonden door middel van de computers in zijn woning. 2. Onverklaard is gebleven hoe het kan dat na de aanhouding van de verdachte bleek dat de keylogger niet meer aanwezig was op de desktopcomputer. 3. Indien de verwijdering van de keylogger het gevolg is van een quickscan door een gedownload gratis antivirusprogramma, wekt dat twijfel aan de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de keylogger. 4. De resultaten van de keylogger komen niet overeen met de resultaten van de IP-tap. De keylogger heeft op 6 januari 2014 om 18:21 uur voor het laatst een bestand aangemaakt, terwijl door middel van de IP-tap is vastgelegd dat die dag van 18:24 uur tot 18:33 uur activiteiten plaatsvonden die de keylogger bij correct functioneren zou hebben moeten vastleggen. Waarom de keylogger al niet meer behoorlijk functioneerde voordat de virusscanner was geïnstalleerd, is niet opgehelderd. 5. Het feit dat de VPN-verbinding na plaatsing van de keylogger niet meer automatisch opstartte, vormt een aanwijzing dat de keylogger niet alleen werkte op de bij installatie voor opname ingestelde programma’s, maar ook daarbuiten invloed had op verbindingen en programma’s. 6. De keylogger heeft méér opgenomen dan alleen vertrouwelijke communicatie. Dit blijkt uit de schermafbeeldingen in het dossier op p. A01 904 en A01 2342, waarop een Windows-folder, Kladblok, WinRAR en een mediaplayer zijn te zien. Uit de verklaring van [teamleider] blijkt verder dat de keylogger bestanden kan creëren, verplaatsen, archiveren, versleutelen, kopiëren, versturen en vernietigen, en dat de originele resultaten worden vernietigd na verzending van een kopie via internet, zodat manipulatie mogelijk is. Het standpunt van de advocaten-generaal De advocaten-generaal hebben hier tegenover gesteld, kort gezegd, dat zij zich aansluiten bij de overwegingen van de rechtbank die inhouden dat keuring van de keylogger voorafgaand aan de inzet daarvan wel mogelijk en voldoende was en dat een keuring achteraf niet nodig was, zodat van een vormverzuim geen sprake is. Voorts houden die overwegingen in dat ook op de keylogger het beoordelingskader uit de voormelde rechtspraak van de Hoge Raad toepasselijk is, met dien verstande dat de rechter kan toetsen of sprake is van geconstateerde onregelmatigheden bij de inzet die afbreuk kunnen doen aan de betrouwbaarheid daarvan. Ook ten aanzien van de zes door de verdediging gestelde onregelmatigheden hebben de advocaten-generaal zich aangesloten bij de beoordeling daarvan door de rechtbank. Die beoordeling komt erop neer dat de gestelde onregelmatigheden geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de resultaten van de keylogger. Voor de beoordeling relevante feiten Op 22 december 2013 is ter uitvoering van een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie als bedoeld in artikel 126l Sv op de laptop en de desktopcomputer in de woning van de verdachte een keylogger (genaamd [keylogger] ) geplaatst. Daarbij zijn ingesteld als op te nemen applicaties: Firefox, Chrome, Safari, Opera, Outlook, Thunderbird, Mail, Message, Skype Messenger, Chat, MSN, Remote, Internet, Maxthon en Eigenschappen voor Datum en Tijd. Daags na plaatsing bleek dat geen resultaten van de keylogger werden ontvangen door de politie. Op 3 januari 2014 werd de woning van de verdachte opnieuw betreden. Toen is vastgesteld dat de resultaten van de keylogger niet waren verzonden, maar nog wel aanwezig waren op de desbetreffende computer. Het resultaat is toen ter plekke veiliggesteld en de keylogger is verwijderd en opnieuw geplaatst op de die computer. De resultaten van de keylogger werden daarna wel ontvangen door de politie. Na de aanhouding van de verdachte op 13 januari 2014 bleek de keylogger niet meer aanwezig op de desktopcomputer op de plaats op de harde schijf waar deze verwacht mocht worden. Omdat de keylogger niet op afstand kon worden verwijderd, is dit alleen te verklaren door een handeling ter plaatse op de computer of door een autonoom werkend programma, zoals een virusscanner. Een antivirusprogramma verwijdert als bedreiging aangemerkte software van de oorspronkelijke bestandslocatie. Nader onderzoek wees uit dat op 6 januari 2014 met een op die dag op de desktopcomputer geïnstalleerd antivirusprogramma een virusscan is uitgevoerd, waarbij op de harde schijf ongewenste software is aangetroffen en verwijderd. In het logbestand van het antivirusprogramma is vermeld welk bestand is verwijderd. Deze bestandsnaam, bestandslocatie en aanduiding van de software bevatten informatie over de keylogger, zo is aanvullend geverbaliseerd. Voor de gebruikte keylogger heeft [teamleider] , teamleider Keuringsdienst, Politie Landelijke Eenheid, dienst operationele samenwerking, een conformiteitsverklaring afgegeven, op basis van een op 24 maart 2009 voltooide keuring. [teamleider] is op 1 oktober 2016 door de rechter-commissaris gehoord en heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven: De Keuringsdienst is onafhankelijk. De Keuringsdienst zelf is sinds 2000/2001 ISO-gecertificeerd. In het kader daarvan krijgen we jaarlijks een externe audit. Als de politie ons een middel aanbiedt keuren wij het. Nadat het is gekeurd kan het door gecertificeerde opsporingsambtenaren worden ingezet. Wij zien nooit een concreet onderzoek. Ik ben zelf geen opsporingsambtenaar. Daar ben ik blij om want als Keuringsdienst willen wij onafhankelijk kunnen keuren. Ik heb rond het jaar 2000 de Keuringsdienst opgezet. In het begin deed TNO de OVC-keuringen. Wij deden dan een voorkeuring en TNO adviseerde de Minister of het hulpmiddel daadwerkelijk kon worden goedgekeurd. Het bleek dat de Keuringsdienst veel meer expertise had dan TNO. TNO had eigenlijk nooit opmerkingen over onze voorkeuringen. Toen in 2006 het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Besluit) werd aangepast (het hof begrijpt: in de plaats kwam van het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden) heeft TNO aan de Minister geadviseerd dat wij zelf een goedkeurende verklaring zouden mogen afgeven. Het gaat erom dat wordt aangetoond dat het hulpmiddel integer is. Als teamleider ben ik meewerkend voorman. Ik doe zelf ook keuringswerkzaamheden. Ik ben eindverantwoordelijke voor iedere keuring. Sinds 2008 of 2009 houd ik mij vooral bezig met de keuring van software ten behoeve van de opname van vertrouwelijke communicatie. Het hulpmiddel [keylogger] bestaat volledig uit software. Vóór 2009 hebben wij diverse malen eerder een softwarematig technisch hulpmiddel gekeurd. In 2008 is het Keuringsprotocol ook toegespitst op softwarematige hulpmiddelen. De procedure is in grote lijnen gelijk aan de procedure voor keuring van andere hulpmiddelen. Het is een kwestie van duwen en trekken om te kijken of het hulpmiddel rare dingen doet tijdens de keuring. We keuren aan de hand van de eisen die zijn verwoord in het Besluit. Bij de keuring van dit hulpmiddel is op geen enkele wijze afgeweken van de standaardprocedure. Ik heb zelf de technische keuring gedaan. Onze jurist denkt mee over de vraag welke mogelijke functionaliteiten vallen onder het begrip OVC, en welke niet. Ik wil een middel niet voor de hele bandbreedte goedkeuren als er voor OVC maar een paar delen gebruikt mogen worden. Ik geef mijn goedkeuring alleen op onderdelen die echt met OVC te maken hebben. Ik wil bijvoorbeeld niet dat de politie een hele PC kan doorzoeken op basis van mijn tool terwijl eigenlijk alleen OVC is toegestaan. Als een middel bijvoorbeeld tien functies heeft, zet ik in de interne handleiding dat alleen de functies 1, 5 en 6 voor OVC bedoeld zijn. Als de politie meer functies aanzet naar aanleiding van een bevel OVC, is dat onrechtmatig. Het hulpmiddel [keylogger] omvat een keylogger, het neemt muisklikken op en maakt screenshots. Meer kan dit hulpmiddel niet. Het is geen Remote Acces Trojan (RAT). Je kunt via dit hulpmiddel niet van buitenaf in de computer inbreken. Ik heb in een eerder rapport al aangegeven dat dit hulpmiddel op locatie geïnstalleerd, bediend en verwijderd moet worden. Het hulpmiddel is niet een hulpmiddel waarvoor het Besluit in een keuring achteraf voorziet. Het middel wordt niet aangepast bij installatie. Het is een vaststaand softwarepakket. Bij installatie moet worden aangevinkt welke programma’s wel en niet worden opgenomen. De keuring zelf is een kwestie van proefondervindelijk werken. Je geeft een bepaalde input en vergelijkt het resultaat daarmee. Je gaat allerlei variabelen veranderen en kijkt of een middel dan nog steeds goed werkt. Ik denk dat ik alles bij elkaar twee volle maanden ben bezig geweest met de keuring van dit middel. Het was steeds een kwestie van duwen, voelen, trekken, installeren, kijken wat voor gevolgen er optraden, eraf halen en nog eens installeren, alles wat je kunt bedenken. Ik heb steeds het eindresultaat vergeleken met de input en ik heb geen onvolkomenheden ontdekt. Bij het verzenden van de resultaten van het technisch hulpmiddel is sprake van een beveiligde verbinding. De resultaten worden versleuteld verzonden en volgens de Keuringsdienst is het daarmee veilig genoeg. Als iemand beweert dat de gegevens zijn gemanipuleerd kan dit onmiddellijk worden gecontroleerd door opnieuw de elektronische handtekening te berekenen. Als er ook maar één bit is veranderd, is de elektronische handtekening niet meer gelijk. Er kunnen wel afwijkingen zijn tussen de screenshots en de geregistreerde toetsaanslagen en muisaanslagen. Als een computer heel druk bezig is kan het zijn dat hij af en toe een letter laat vallen. Soms verwerkt de computer een toetsaanslag of muisklik niet. Het is echter uitgesloten dat de computer een toetsaanslag of muisklik erbij verzint. Afhankelijk van de drukte met de processorcapaciteit kan het hulpmiddel incidenteel iets missen, maar het zal nooit iets registreren dat niet is gebeurd. [Geconfronteerd met de gang van zaken in deze zaak, waaronder het aanvankelijk niet verzenden van resultaten door de keylogger, het constateren dat resultaten nog op de computer aanwezig waren en, later, het niet meer op de desktop aanwezig zijn van de keylogger, antwoordt [teamleider] :] Ik weet niet wat hier precies is gebeurd. Het is wel zo dat bij dit hulpmiddel de functie ‘informatie verzenden’ apart moet worden aangevinkt. Misschien is dat niet gebeurd. Misschien is het hulpmiddel tussentijds verwijderd. Het hulpmiddel werkt zo, dat opgenomen informatie op de computer wordt opgeslagen totdat die wordt verzonden. Zodra de informatie is verzonden, is die niet meer op de computer aanwezig. De gang van zaken zoals door u beschreven zegt niets over de integriteit van de opnames die zijn gemaakt. Voor de beoordeling relevant juridisch kader Het meergenoemde, hier toepasselijke Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Stb. 2006, 524) voorziet in artikel 18 in de mogelijkheid van de inzet van een gekeurd technisch hulpmiddel en behelst in hoofdstuk 5 bepalingen met betrekking tot de keuring. In artikel 19 is daarnaast voorzien in de mogelijkheid van de inzet van een ander – niet voorafgaand aan de inzet gekeurd – technisch hulpmiddel, waarover na afloop van de inzet een keuringsrapport moet worden vastgesteld. De Nota van toelichting bij dit Besluit houdt onder meer in: “1. Algemeen (…) Dit besluit vervangt het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden. 1.1. Aanleiding De aanleiding voor dit besluit is tweeërlei. In de eerste plaats zijn in de eindevaluatie van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden knelpunten gesignaleerd bij de uitvoering van het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden (Kamerstukken II 2004/05, 29940, nr. 1). (…) In de evaluatie werden als belangrijkste knelpunten bij de uitoefening van deze bijzondere opsporingsbevoegdheden genoemd: de langdurige certificeringprocedure, de te strenge technische eisen die aan de apparatuur worden gesteld (…). In de evaluatie werd geconstateerd dat deze knelpunten afbreuk doen aan de doelmatigheid en de slagvaardigheid van de opsporing. In het licht van de evaluatie is het wenselijk de procedures die bovenmatig omslachtig en ingewikkeld zijn en daarmee hun doel voorbij schieten, aanzienlijk te vereenvoudigen en ook overigens te herzien. Daartoe dient dit nieuwe besluit dat een meer efficiënte en slagvaardige opsporing mogelijk maakt, terwijl het uitgangspunt van transparantie en controle niet wordt aangetast. (…) 1.2. Reikwijdte Dit besluit ziet alleen op technische hulpmiddelen die gegevens registreren. Dergelijke technische hulpmiddelen leveren immers (beeld- of geluids)materiaal op, waarvan de rechter en de verdediging kennis kunnen nemen en dat als bewijs kan dienen. De betrouwbaarheid van de door deze middelen vastgelegde waarnemingen dient onomstotelijk vast te staan. Dit betekent dat het besluit ziet op alle technische hulpmiddelen die worden ingezet ter uitvoering van een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie (126l en 126s Sv). (…) 1.3. Uitgangspunten en systematiek Het besluit is gebaseerd op het uitgangspunt dat de gegevens die in het kader van de bijzondere opsporingsbevoegdheden met een technisch hulpmiddel worden vastgelegd, betrouwbaar, voor derden toetsbaar en niet manipuleerbaar dienen te zijn. Ook in de gevallen waar de inzet van een technisch hulpmiddel de directe waarneming van de opsporingsambtenaar geheel vervangt, dient de authenticiteit van het bewijsmateriaal boven alle twijfel te zijn verheven. De technische en procedurele eisen die het besluit stelt aan de inzet van technische hulpmiddelen dienen als waarborg voor de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen, die artikel 126ee van het Wetboek van Strafvordering vereist. De authenticiteit van de vastgelegde waarnemingen wordt allereerst gewaarborgd door de technische eisen die aan de technische hulpmiddelen worden gesteld. (…) Ter controle op de naleving van deze technische eisen stelt het besluit de eis dat slechts gekeurde technische hulpmiddelen mogen worden ingezet bij de uitoefening van de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Daartoe is de keuringsdienst van het Korps landelijke politiediensten belast met de keuring van technische hulpmiddelen en componenten. Om de kwaliteit en consistentie van de keuring te waarborgen dient de keuringsdienst een keuringsprotocol vast te leggen voor de keuring van de verschillende technische hulpmiddelen en componenten. Van de keuring wordt een rapport opgemaakt waarin wordt beschreven in hoeverre het technische hulpmiddel of de component voldoet aan de algemene en aanvullende technische eisen die het besluit stelt. Bij de keuring wordt aan het technische hulpmiddel of de component een uniek keuringsnummer toegekend. In het proces-verbaal van de inzet kan worden verwezen naar het keuringsnummer, waardoor de samenstelling van het technische hulpmiddel – ter bescherming van de tactische belangen van de opsporingsdiensten – kan worden afgeschermd. De betrouwbaarheid van het middel en de vastgelegde waarnemingen blijft echter buiten twijfel nu de rechter indien noodzakelijk de volledige gegevens kan opvragen. (…) Voorafgaand en na afloop aan de daadwerkelijke inzet controleert de opsporingsambtenaar of het technische hulpmiddel aan de gestelde eisen voldoet en correct functioneert. Indien onregelmatigheden worden geconstateerd wordt een proces-verbaal opgemaakt en naar de officier van justitie gezonden. De officier en de rechter kunnen op grond van het proces-verbaal beoordelen in hoeverre de geconstateerde onregelmatigheden afbreuk doen aan de authenticiteit en bewijskracht van de vastgelegde waarnemingen. (…) 1.4. Wijzigingen Naar aanleiding van de eindevaluatie van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden is een aantal procedures in het besluit vereenvoudigd in vergelijking met het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden. Allereerst is de doorlooptijd van de keuringsprocedure door een tweetal wijzigingen sterk gereduceerd. De afgifte van een ministeriële verklaring van goedkeuring leidde tot een lange doorlooptijd van de keuringsprocedure. Nu in de praktijk er nooit reden is geweest om een goedkeuring te weigeren, geldt niet langer de eis dat de Minister van Justitie een verklaring van goedkeuring verleent. Door een functionaris van het Korps landelijke politiediensten voortaan te belasten met de vaststelling van een keuringsrapport wordt de doorlooptijd van de keuringsprocedure sterk verkort. (…) 2. Artikelen Artikel 1. Definities Onderdelen a, b en c Onder een technisch hulpmiddel worden alleen de technische hulpmiddelen in de zin van artikel 126ee van het Wetboek van Strafvordering verstaan. Het betreft technische hulpmiddelen die worden ingezet ten behoeve van stelselmatige observatie met een technisch hulpmiddel, het opnemen van vertrouwelijke communicatie of het opnemen van telecommunicatie zonder medewerking van de betrokken aanbieder. Het besluit is gericht op technische hulpmiddelen die signalen registreren en op een gegevensdrager vastleggen. (…) Zoals uit dit voorbeeld blijkt, beperkt het besluit zich niet tot de technische hulpmiddelen die beeldsignalen of geluidssignalen registreren. Er zijn ook andere soorten signalen denkbaar. In het kader van het opnemen van vertrouwelijke communicatie kan het signaal bijvoorbeeld bestaan uit de aanslag van een toets op het toetsenbord van een computer. (…) Artikel 8. Controle technische hulpmiddelen Teneinde te waarborgen dat het technische hulpmiddel voldoet aan de technische eisen ten aanzien van de integriteit en authenticiteit, moet voorafgaand aan en na afloop van de daadwerkelijke inzet een controle worden uitgevoerd. Dit betekent dat de ambtenaar die het technische hulpmiddel inzet, controleert of de datum en tijd correct zijn ingesteld en of het technische hulpmiddel geen defecten vertoont. (…) Voorafgaand aan en na afloop van de inzet wordt tevens gecontroleerd of het technische hulpmiddel voldoet aan de technische eisen die het besluit in de artikelen 10 tot en met 14 stelt. (…) Indien na beëindiging van de inzet geen veranderingen aan de apparatuur zijn geconstateerd, mag er in beginsel vanuit worden gegaan dat het middel ook gedurende de inzet goed heeft gefunctioneerd. Indien er wel een technische afwijking, defect of verandering in de beveiliging of een andere onregelmatigheid wordt geconstateerd, dient de opsporingsambtenaar een proces-verbaal op te maken. Aangezien het niet correct functioneren van het technische hulpmiddel mogelijkerwijs gevolgen heeft voor de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal, dient het proces-verbaal aan de officier van justitie te worden gezonden. (…) Artikel 11. Gericht opnemen telecommunicatie (…) Zonodig zullen er door een wijziging van het onderhavige besluit afwijkende of aanvullende eisen moeten worden gesteld indien de technologische (on)mogelijkheden van deze technische hulpmiddelen daartoe aanleiding geven. Uitgangspunt hierbij zal zijn dat bij de opsporing gebruik moet kunnen worden gemaakt van nieuwe technologieën, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen die dit besluit beoogt te beschermen. (…) Artikel 19. Inzet zonder keuringsrapport (…) Bij technische hulpmiddelen die zich naar hun aard niet lenen voor keuring vooraf kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het gebruik van softwareprogrammatuur als onderdeel van een technisch hulpmiddel. Deze softwareprogrammatuur dient in veel gevallen speciaal op maat te worden gemaakt voor de inzet in een specifiek geval. Bij de inzet van software zal het veelal noodzakelijk zijn om bij of tijdens de inzet aanpassingen te maken aan het technische hulpmiddel om het correct te kunnen laten functioneren. Een keuringsprocedure van het technische hulpmiddel als geheel, voorafgaand aan de inzet, zal in deze gevallen praktisch onmogelijk zijn en een effectieve inzet van dit technische hulpmiddel belemmeren. Zo mogelijk dienen de onderdelen van het technische hulpmiddel die zich wel lenen voor keuring vooraf, te worden gekeurd door de keuringsdienst”. Na de inwerkingtreding van dit Besluit op 1 januari 2007 is het tot op heden niet gewijzigd op voor de beoordeling in de onderhavige zaak relevante punten. Wel is op 26 mei 2008 het door de Keuringsdienst gehanteerde ‘Keuringsprotocol t.b.v. Besluit Technische Hulpmiddelen Sv, Opnemen Vertrouwelijke Communicatie (OVC), versie 2.0’ in gebruik genomen. Het bijbehorende revisieblad vermeldt in verband daarmee het volgende: “Toegevoegd de keuring van “Software applicaties”. Deze versie betreft tekstuele wijzigingen ter verduidelijking. Deze hebben geen invloed op het keuringsresultaat. Technische hulpmiddelen welke zijn gekeurd onder Keuringsprotocol V1.0 zullen ook voldoen onder het Keuringsprotocol V2.0”. Het al eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4650) is gewezen in een zaak waarin nog het Besluit technische hulpmiddelen bijzondere opsporingsbevoegdheden van toepassing was. De Hoge Raad wees er in die zaak op dat dit Besluit blijkens de daarop gegeven toelichting ertoe strekte waarborgen te creëren voor de betrouwbaarheid en herleidbaarheid van de gegevens die met de desbetreffende apparatuur zijn verkregen. Ook wees de Hoge Raad erop dat daartoe in dat besluit technische eisen zijn gesteld en is voorzien in een keuring, een door de Keuringsdienst op te maken keuringsrapport en een op basis daarvan door de Minister af te geven verklaring van goedkeuring. Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat de rechter in die zaak, omdat voor de gebruikte apparatuur een verklaring van goedkeuring was afgegeven door de Minister op basis van een door de Keuringsdienst opgemaakt keuringsrapport, ervan uit had moeten gaan dat die apparatuur aan de wettelijke eisen voldeed. Wel kan de rechter toetsen of van die apparatuur een normaal gebruik is gemaakt, aldus de Hoge Raad. Beoordeling door het hof Naar het oordeel van het hof leent het voormelde door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader zich ook voor toepassing op de inzet van technische hulpmiddelen onder het nu geldende Besluit, nu dat geen voor de beoordeling wezenlijke wijzigingen heeft gebracht in de aard en strekking van de procedure van de keuring en de daarbij gestelde eisen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat ook het nu geldende Besluit blijkens de daarop gegeven toelichting ertoe strekt waarborgen te creëren voor de betrouwbaarheid en herleidbaarheid van de gegevens die met technische hulpmiddelen zijn verkregen en dat ook onder het nu geldende Besluit technische eisen zijn gesteld en is voorzien in een keuring, een door de Keuringsdienst op te maken keuringsrapport en een op basis daarvan (door deze dienst) af te geven verklaring van goedkeuring. Dit brengt mee dat het hof, nu voor de ingezette keylogger door de Keuringsdienst voorafgaand aan de inzet daarvan een goedkeurende verklaring is afgegeven, ervan uit gaat dat deze keylogger aan de wettelijke eisen voldeed. Aanwijzingen die op het tegendeel wijzen, zijn geenszins aannemelijk geworden. De omstandigheid dat het in dit geval gaat om een geheel uit software bestaand technisch hulpmiddel, brengt het hof niet tot een ander oordeel. De tekst van het Besluit noch de inhoud van de Nota van toelichting dwingt tot de conclusie dat softwarematige technische hulpmiddelen zich per definitie niet lenen voor keuring voorafgaand aan de inzet. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de Nota van toelichting bij het Besluit blijkt dat oog bestond voor de mogelijkheid dat toekomstige technische ontwikkelingen zouden kunnen nopen tot aanpassing van het Besluit, en dat uitgangspunt moest zijn dat bij de opsporing gebruik moet kunnen worden gemaakt van nieuwe technologieën, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen die het Besluit beoogt te beschermen. Klaarblijkelijk is sinds de inwerkingtreding van het Besluit in de ontwikkelingen in de mogelijkheden die software biedt, geen aanleiding gezien tot aanpassing van het Besluit. Volstaan is met enige tekstuele aanpassingen in het Keuringsprotocol. Het hof volgt de verdediging evenmin waar zij heeft betoogd dat sprake is van een technisch hulpmiddel waaraan na plaatsing op een computer zodanige aanpassingen moeten worden gedaan, dat een keuring voorafgaand aan de inzet niet mogelijk was. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd, doet het hof niet twijfelen aan de juistheid van de conclusie van [teamleider] dat het niet gaat om een hulpmiddel waarvoor het Besluit in een keuring achteraf voorziet. Die conclusie neemt het hof over. De ingezette keylogger betreft een vaststaand softwarepakket, dat niet wordt aangepast bij plaatsing. De omstandigheid dat na plaatsing moest worden aangevinkt welke programma’s werden opgenomen, of resultaten moesten worden verzonden en met welke tijdsinterval screenshots werden gemaakt, brengt niet mee dat dit technisch hulpmiddel zich niet zou lenen voor keuring voorafgaand aan de inzet daarvan. De aard en werking van de keylogger zijn door het aanvinken van deze instellingen niet veranderd op een wijze die niet in de keuring vooraf kon worden betrokken. Het feit dat de keylogger aanvankelijk geen resultaten verzond, beschouwt het hof niet als een valide argument om de stelling te schragen dat na plaatsing aanpassingen aan het technisch hulpmiddel nodig waren, die meebrengen dat het zich niet leende voor keuring voorafgaand aan de inzet. Dit geldt evenzeer voor het betoog dat de keylogger programma’s kon opnemen die niet onder vertrouwelijke communicatie vallen. Het feit dat een technisch hulpmiddel ook een dergelijke mogelijkheid biedt, behoeft op zichzelf niet in de weg te staan aan (de toereikendheid van) voorafgaande goedkeuring. Wel kan dit een rol spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het gebruik dat van een dergelijk technisch hulpmiddel is gemaakt. Met haar stelling dat het Besluit in de weg staat aan het gebruik van technische hulpmiddelen waarvan de broncode niet bekend is bij de autoriteiten, stelt de verdediging een eis die het recht niet kent. Het hof verwerpt dus het verweer onder a. dat de keylogger onrechtmatig is ingezet. Dit laat de toetsing onverlet of van de keylogger een normaal gebruik is gemaakt, waaronder het hof mede verstaat de vraag of bij de inzet aan de bruikbaarheid van de resultaten van de keylogger in de weg staande onregelmatigheden zijn opgetreden. In dat kader zal het hof ingaan op het verweer onder b. In weerwil van het betoog van de verdediging met de daarin genoemde zes punten, geldt naar het oordeel van het hof voor elk van die punten dat zij op zichzelf noch in onderlinge samenhang beschouwd kunnen leiden tot de conclusie dat de resultaten van de keylogger wegens twijfel aan de betrouwbaarheid daarvan niet bruikbaar zouden zijn voor het bewijs. Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de omstandigheid dat de resultaten van de keylogger in ruime mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Puntsgewijs wordt nog het volgende opgemerkt. Ad 1. Een groot deel van de teksten op de door de keylogger vastgelegde schermafbeeldingen is te herleiden tot door de keylogger vastgelegde toetsaanslagen. Naar aard en inhoud gaat het om een beperkt aantal discrepanties. De dienaangaande opgemaakte aanvullende processen-verbaal bieden voor een deel van deze discrepanties een verklaring. De resterende onverklaarde discrepanties zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard of omvang dat aan de betrouwbaarheid van de resultaten van het technisch hulpmiddel moet worden getwijfeld. Daarbij heeft het hof ook acht geslagen op de verklaring van [teamleider] dat niet is uitgesloten dat het technisch hulpmiddel incidenteel iets mist, maar dat het nooit iets zal registreren wat niet is gebeurd. In dit verband merkt het hof nog op dat de verdediging de betrouwbaarheid van de door de keylogger geregistreerde schermafbeeldingen op zichzelf niet anders heeft betwist dan door te wijzen op discrepanties met de geregistreerde toetsaanslagen en de mededeling van de verdachte dat hij nooit sites bezocht die op de schermafbeeldingen zijn vastgelegd. Daardoor twijfelt het hof echter niet aan de betrouwbaarheid daarvan. De door de verdediging betrokken stelling dat inzage in alle resultaten van de keylogger nog meer discrepanties zou (kunnen) aantonen, maakt dat oordeel niet anders. In het licht van hetgeen [teamleider] heeft verklaard over de werking van de keylogger, beschouwt het hof het niet-aantreffen van resultaten van de keylogger op de gegevensdragers in de woning van de verdachte, nadat de keylogger vanaf 3 januari 2014 naar behoren functioneerde, noch als een onregelmatigheid noch als een bevestiging dat deze resultaten niet zouden zijn gegenereerd gedurende handelingen op computers in de woning van de verdachte. Ad 2., 3. en 4. Het hof acht op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden aannemelijk dat de gebruiker van de desktopcomputer in de woning van de verdachte op 6 januari 2014 handelingen heeft verricht die erop gericht waren eventueel daarop aanwezige ongewenste software, zoals de keylogger, te verwijderen, en dat op die dag de keylogger is verwijderd van de plaats op de harde schijf van de desktopcomputer waar deze door de politie geplaatst was. Het hof acht geenszins uitgesloten dat de gebruiker van de desktopcomputer er eerst zelf in is geslaagd de keylogger uit te schakelen, waarna (onderdelen van) de keylogger met behulp van een antivirusprogramma zijn verwijderd van voormelde plaats op de harde schijf. De verdachte, die heeft verklaard de eigenaar te zijn van de desbetreffende desktopcomputer en in wiens woning deze computer stond, heeft geen verklaring afgelegd die in een andere richting wijst, hoewel dat op zijn weg zou hebben gelegen. De onder 2. en 4. door de verdediging aangeroerde punten vinden in deze door het hof aannemelijk geachte gang van zaken een verklaring. Daargelaten wat er verder zij van het onder 3. genoemde punt, doet dat het hof niet twijfelen aan de betrouwbaarheid van de resultaten van de keylogger. Ad 5. Tegen de achtergrond van het vorenstaande ontbreken solide aanwijzingen voor de veronderstelling dat de keylogger zelfstandig zou interfereren met het al dan niet functioneren van de VPN-verbinding. Ad 6. De omstandigheid dat op de door de keylogger vastgelegde schermafbeeldingen in een aantal gevallen (de verdediging heeft twee voorbeelden genoemd) niet alleen de op dat moment gebruikte programma’s waarmee vertrouwelijk kon worden gecommuniceerd zijn vastgelegd, maar tevens de op het moment van vastleggen openstaande, niet op vertrouwelijke communicatie betrekking hebbende programma’s, beschouwt het hof als een onvermijdelijke bijkomstigheid van het vastleggen van schermafbeeldingen. Dit rechtvaardigt evenwel niet de conclusie dat de keylogger niet op een normale manier is gebruikt of dat van een onregelmatigheid sprake is. Naar het oordeel van het hof biedt artikel 126l Sv een toereikende grondslag voor deze (toevallige) bijvangst. Het hof merkt daarbij op dat deze bepaling ook toestaat dat heimelijk een woning wordt betreden. Ook daarbij zullen in het algemeen waarnemingen worden gedaan door opsporingsambtenaren die buiten het begrip vertrouwelijke communicatie vallen. 10Onregelmatigheden in het vooronderzoek De verdediging heeft zich beklaagd over onregelmatigheden – door de verdachte zelf onrechtmatigheden genoemd – in het vooronderzoek. Daarnaast heeft de verdediging in het bijzonder geklaagd over een onregelmatigheid in het vooronderzoek in het Verenigd Koninkrijk. Hoewel aan de gestelde onregelmatigheden een verzoek tot strafvermindering (en niet bewijsuitsluiting) is gekoppeld, hangen die vermeende onregelmatigheden zo nauw samen met andere gevoerde verweren over artikel 6 EVRM, het bewijs en het gepresenteerde alternatieve scenario, dat het hof de bespreking van de verweren reeds hier opneemt. De verdediging heeft de volgende onregelmatigheden geconstateerd: het eerder genoemde niet verkrijgen van veel gegevens ter staving van de stellingen van de verdediging; het ontbreken van voor de verdachte belangrijke OVC-opnamen en ruis in de OVC-opnamen; foute vertalingen en interpretaties van zogenaamde monologen (gesprekken in de woning); e niet-toevallige aanhouding op 20 december (het hof begrijpt: 2013) om vervolgens een keylogger en microfoon te kunnen installeren; de verhoren in het [onderzoek] -onderzoek aanwezigheid van een Disclosure-verbalisant; de onderzoeken [onderzoek] en Disclosure die door elkaar liepen; het binnentreden in de woning die door de verdachte werd gebruikt op 23 december 2013 en 7 januari 2014; tientallen incorrecte processen-verbaal waarin structureel vormverzuim werd bevestigd; de reeks aan BOB-bevoegdheden (observaties, etc.) die tegen de verdachte zijn ingezet. Daarnaast heeft de verdediging onder het kopje “Onregelmatigheid vooronderzoek VK” de vraag opgeworpen of het verzoek van de Britse undercoveragent aan de verdachte een kinderpornografische afbeelding van D15 toe te sturen geen uitlokking oplevert. Verder heeft de verdediging het vermoeden geuit dat sprake is van onregelmatigheden in het vooronderzoek doordat het er alle schijn van heeft dat de Nederlandse en de Britse autoriteiten hebben samengewerkt, terwijl daarvan in het dossier op geen enkele wijze blijkt, wellicht omdat het Nederlandse Wetboek van Strafvordering niet voorziet in het infiltreren van een account op sociale media. Tevens is op basis van gestelde discrepanties tussen de resultaten van het Nederlandse en het Britse onderzoek naar de inhoud van de onder de verdachte inbeslaggenomen gegevensdragers, het vermoeden geuit dat in het Nederlandse onderzoek veel fouten zijn gemaakt. Het hof overweegt als volgt. De onder
  2. a)genoemde onregelmatigheid is in dit onderdeel van het pleidooi niet nader uitgewerkt, maar maakt wel deel uit van het betoog van de verdediging over artikel 6 EVRM. Het hof heeft dit onderdeel bij de bespreking van laatstgenoemd betoog in zijn beschouwingen betrokken. De onder
  3. d)tot en met
  4. h)genoemde onregelmatigheden zijn niet nader onderbouwd. Het hof acht zich dan ook niet genoodzaakt hier nader op in te gaan en volstaat met de overweging dat hetgeen is aangevoerd grotendeels feitelijke grondslag mist en voor het overige niet valt in te zien in afwijking van welke regels zou zijn gehandeld. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over het optreden van de Britse autoriteiten berust louter op speculaties en vermoedens, zodat dat geen verdere bespreking behoeft. Ten overvloede overweegt het hof dat, voor zover is beoogd strafvermindering te bepleiten op de voet van artikel 359a Sv, niet is voldaan aan de eisen die aan een dergelijk verweer gesteld moeten worden. De verdediging heeft de onder
  5. b)en
  6. c)genoemde onregelmatigheden als volgt onderbouwd, daarbij voor een deel teruggrijpend op hetgeen bij de verzoeken om inzage en nader onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2018 is aangevoerd. In totaal is tussen 23 december 2013 en 13 januari 2014 door middel van OVC-apparatuur ongeveer 500 uur aan materiaal opgenomen. Daarvan bestaat 49 uur uit ruis of statisch geluid. Die ruis camoufleert bezoeken aan de woning van andere personen, onder wie een kennis van [M] , en telefoongesprekken met [M] en partners. De meest cruciale gesprekken heeft de verdachte gevoerd in het tijdsbestek vlak voor zijn aanhouding op 13 januari 2014 rond 22.00 uur, maar daarvan zijn geen opnamen want de OVC-apparatuur is om 18.44 uur gestopt met opnemen. Als in dat tijdsbestek wel opnamen waren gemaakt, dan had de verdachte kunnen staven dat de versleutelde gegevensdrager al sinds 24 december 2013 in de stereotoren (in de woning van de verdachte) lag en dat hij daarom niet de gebruiker kon zijn van het Skype-account door middel waarvan de Britse politie twee minuten vóór de aanhouding van de verdachte contact met hem zou hebben gehad. Ook door het ontbreken van OVC-opnamen tussen 28 december (hof: 2013) om 12.34 uur en 29 december (hof: 2013) om 08.41 uur, is ontlastend materiaal (opnamen van bezoeken van anderen en gesprekken) niet voorhanden. Anders dan de politie wil doen geloven, is voormelde ruis niet veroorzaakt door een elektronisch apparaat in de woning van de verdachte. Die ruis is evenmin het gevolg van een stroomstoring of onderhoudswerkzaamheden door justitie (waardoor de opnamefunctie zou zijn uitgeschakeld). Doordat ontlastende omstandigheden niet zijn vastgelegd, kunnen de wel opgenomen gesprekken uit hun context worden gehaald. Daar komt bij dat delen van de wel opgenomen OVC-gesprekken onjuist zijn geverbaliseerd of vertaald. Dit alles heeft bij de verdachte bijgedragen aan het gevoel dat zaken zijn verhuld en dat de opnamen en de uitwerkingen daarvan niet bruikbaar zijn, waarmee zijn wantrouwen jegens politie en justitie is toegenomen. Het hof heeft een deel van hetgeen de verdediging over de onregelmatigheden onder
  7. b)en
  8. c)heeft aangevoerd, in zijn overwegingen hierna over het gepresenteerde alternatieve scenario betrokken, zodat dit hier verder buiten beschouwing kan blijven. Daarnaast constateert het hof dat op een gedeelte van de OVC-opnamen slechts ruis te horen is, dat tussen 28 december 2013 om 12.34 uur en 29 december 2013 om 08.41 uur geen OVC-opnamen zijn gemaakt en dat hetzelfde geldt voor de laatste uren vóór de aanhouding van de verdachte rond 22.00 uur op 13 januari 2014. De oorzaak van een en ander is, na door het hof op verzoek van de verdediging gelast nader onderzoek waarin mogelijke verklaringen zijn geopperd, niet met 100% zekerheid vast te stellen. Daar zullen hof en verdediging mee moeten leven. Manipulatie of anderszins kwalijk optreden van politie of justitie op dit is punt is echter geenszins aannemelijk geworden. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat geen sprake is van onregelmatigheden, hoogstens van enige resterende onzekerheid over de verklaring voor de (opgenomen) ruis en het ontbreken van opnamen op 28 en 29 december 2013. 11Alternatief scenario: ‘ [M] zat achter de computer(s)’ De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs een alternatief scenario aangedragen en in dat verband het volgende aangevoerd. De verdachte is niet de oorspronkelijke eigenaar van de gegevensdragers die in zijn woning zijn aangetroffen en hij is niet degene geweest die het toetsenbord bediende ten tijde van de tenlastegelegde handelingen. Twee harde schijven (met beslagnummer OIO13.04.01.002 resp. OIO13.04.01.005 ) zijn namelijk van [M] , evenals de laptop en de versleutelde gegevensdrager. [M] had de verdachte verzocht de harde schijven te repareren en/of te verwisselen. Dat deed de verdachte ook voor anderen. De verdachte heeft de schuld op zich genomen voor door [M] gepleegde feiten. [M] is ook degene geweest die anderen heeft opgelicht. Dit alternatieve scenario vindt op diverse manieren steun in het dossier: 1. De harde schijven van [M] zijn gevonden in een (verhuis)doos, dus niet aangekoppeld aan een computer; één harde schijf was zelfs kapot. 2. Een jeugdvriend van de verdachte heeft bevestigd dat de verdachte computers voor anderen repareerde. 3. De verdachte had geen toegang tot de hem belastende bestanden omdat deze zich sinds september 2012 – toen [M] hem verzocht zijn harde schrijven te repareren/verwisselen – op unallocated clusters bevonden en deze alleen met forensische methoden konden worden achterhaald. Dit klemt temeer nu informatie op die unallocated clusters in 2013 is gebruikt om een aantal D’s af te persen. Dat kon alleen degene doen die toegang had tot die informatie en dat was niet de verdachte. 4. De op de twee genoemde harde schijven van [M] aangetroffen bestandspaden verwijzen naar applicaties (bijvoorbeeld KMplayer) en foldernamen van wifinetwerken (zoals [Ziggo] ) die op geen enkele wijze aan de verdachte als gebruiker zijn te koppelen. Er is dan ook objectief gezien een duidelijke “disconnectie” tussen die twee harde schijven met belastende bestanden en alle andere gegevensdragers en computers in de woning van de verdachte. 5. Op de twee harde schijven van [M] zijn geen personalia van de verdachte aangetroffen, terwijl opsporingsdiensten in diverse landen daarnaar hebben gezocht en extensief forensisch onderzoek is gedaan. Voorts heeft de verdachte – zoals is te horen op OVC-opnamen – in telefoongesprekken met anderen (onder wie een partner van [M] en een jeugdvriend van de verdachte) gesproken over de door [M] gepleegde oplichtingen en de Western Union-transacties, waarbij de verdachte het geld ophaalde. De 49 uur aan OVC-opnamen die achteraf slechts uit ruis bleken te bestaan, hadden de verdachte nog verder kunnen vrijpleiten omdat hij in die 49 uur gesprekken heeft gevoerd met [M] en zijn kennissen. Daar komt bij dat de verdachte aan zijn toenmalige raadsman in een brief (het hof begrijpt: van 4 februari 2014) heeft geschreven over bezoeken door kennissen van [M] en telefoongesprekken met [M] waarin zij hebben besproken dat [M] zijn laptop, gegevensdragers, telefoon e.d. moest komen ophalen. Ook is van belang dat OVC-opnamen van gesprekken van de verdachte verkeerd zijn weergegeven of vertaald. De omstandigheid dat [M] niet is geïdentificeerd, zoals de rechtbank in haar verwerping van het alternatieve scenario heeft overwogen, kan niet aan de verdachte worden tegengeworpen. Politie en openbaar ministerie hadden onderzoek moeten verrichten om [M] te vinden. Onderzoek op internet toont al aan dat aan de naam [M] concrete personen zijn te verbinden, maar daar is geen nader onderzoek naar gedaan. [M] leeft zo anoniem mogelijk vanwege zijn criminele activiteiten; daarom is de kans aanwezig dat [M] een alias is. De verdachte weet wel dat [M] sinds 13 januari 2014 in Turkije verblijft. Dat wijst er volgens de verdachte op dat [M] iets te verbergen heeft. [M] heeft wel in 2014 contact opgenomen met de toenmalige raadsman van de verdachte om inlichtingen te verstrekken en om de verdachte eraan te herinneren dat hij, [M] , een zware jongen is met een “lange arm” die gemakkelijk de familie en vrienden van de verdachte kan bereiken. Evenmin kan aan de verdachte worden tegengeworpen dat de verdediging het alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, nu de verdediging de toegang tot de forensische kopieën van alle gegevensdragers – waarmee de aannemelijkheid van het alternatieve scenario verder was te onderbouwen – is onthouden. Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft vanaf zijn aanhouding op 20 december 2013 diverse verklaringen over [M] afgelegd, die het volgende inhouden. De verklaring van de verdachte van 21 december 2013: Ik heb in 2010 of 2011 een bedrag geleend van 6.000 euro bij een loan shark. Zijn naam is [M] en hij heeft een zilvergrijze Mercedes. Toen mijn termijn van terugbetalen bijna om was, heb ik tegen [M] gezegd dat ik maar 1.500 euro kon terugbetalen. Ik zou [M] 8.000 euro moeten betalen (6.000 plus 2.000 rente) binnen vier maanden. Omdat ik niet kon betalen, kwam [M] met een idee. Ik zou mij voordoen als verhuurder van een woning en zou dan die woning verhuren. [M] had een kopie van mijn paspoort gemaakt maar dan met een vervalste naam erop. Ik had de eigenaar van de woning via Marktplaats gevonden. [M] had mij geadviseerd op Marktplaats naar een woning te zoeken. De verklaring van de verdachte van 23 december 2013 (afgelegd buiten het kader van een verhoor): De advertenties en het emailverkeer (in het kader van de oplichting van potentiële woninghuurders) zijn geregeld door [M] . [M] deed namelijk het “virtuele” gedeelte van de oplichting en de verdachte deed de afspraken en de bezichtigingen. De volledige naam van [M] is [M] en hij moet ergens in [plaats 1] wonen. [M] is ongeveer 32 jaar, hij heeft een gezet postuur en altijd gel in het haar. Hij hoort bij de Grijze Wolven en is een zware jongen. Daarom wil de verdachte eigenlijk niet over hem verklaren; hij is bang voor eventuele gevolgen. Het geld dat afkomstig is van de oplichtingen heeft de verdachte aan [M] afgedragen. De verklaring van de verdachte van 14 januari 2014: Ik probeer zo anoniem mogelijk te leven, mensen hoeven mij niet te kennen, anoniem is het beste leven. In 2010 kreeg ik financiële problemen, sindsdien wil ik anoniem blijven, ik kwam in contact met de Grijze Wolven, ik had 6.000 van ze geleend, ik moest 8.000 euro terugbetalen. Dat is de Turkse maffia, die breken je botten en zo. Sindsdien ben ik anoniem. Ze werken overal, bij de politie, kadaster alles, daarom sta ik nergens ingeschreven. Ik was ze geld schuldig. Ik wist eerst niet dat het een Grijze Wolf was, je leent een bepaald bedrag, je moet je paspoort geven, dan moet je binnen zoveel tijd met 20% rente terug betalen. Als ze me vinden loopt het niet goed af met mij, ik heb niet kunnen afbetalen. Het is bekend dat hij mensen half dood heeft laten slaan door Polen of zo. Het was eerst 1.700 euro. [M] heeft mij gedwongen mensen op te lichten door hun een woning te verhuren. Het geld, zo’n 6.000 euro, heb ik aan [M] gegeven en toen was ik weg. Het waren onschuldige gasten die die woning huurden. Ik dacht na 6.000: ik ben nu weg. Ik ging toen terug naar een plek waarvan ik wist dat de Grijze Wolven niks te zeggen hadden, dat ik gewoon zwart werk kon doen waar ik van kon leven. Ik nam die beslissing begin 2011. Een brief van de verdachte aan de rechter-commissaris van 17 april 2015: Ik heb de schuld (voor de oplichtingen) op me genomen, anders kreeg ik nog grotere problemen met [M] . [M] heeft alles gedaan (advertenties, emails, telefoonnummers, contracten, documenten, het geld). Toen ik vrijkwam (het hof begrijpt: op 23 december 2013) heb ik [M] gebeld. Hij zou mij alle schuld voor de slachtoffers (6.600 euro) betalen plus 1.000 euro voor elke dag dat ik had vastgezeten. Ik zou ook mijn paspoort terugkrijgen; hij had mijn paspoort in verband met mijn schuld. De verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris op 23 april 2015: [M] kwam langs en heeft emailaccounts, telefoonnummers en een ID gebruikt die aan mij worden toegerekend maar in wezen van hem waren. Ik heb de schuld op mij genomen omdat ik anders grote problemen zou krijgen via hem. U vraagt mij de hele gang van zaken met betrekking tot die oplichtingen chronologisch weer te geven vanaf het moment dat ik erbij betrokken raakte. Dat wil ik niet. [M] is geen lichte jongen en ik ben bang dat hij mijn familie in de problemen brengt. Ik zal op een later moment nader verklaren. Van [M] had ik thuis één of twee harde schijven liggen, los van de versleutelde harde schijf. Ik had van [M] een Motorola-telefoon gekregen voor een één-op-één-contact. In de gehele periode vanaf 2011 tot mijn aanhouding kwam [M] af en toe bij mij. Gedurende mijn eerste verblijf aan [straat 3] is hij een week in mijn bungalow geweest, terwijl ik er niet was. Tijdens de oplichtingszaak in [plaats 1] verstuurde hij bij mij thuis emails in het kader van die oplichting vanuit zijn laptop, die bij mij is aangetroffen. De slachtoffers waren mensen die werkten voor wietkwekers. Hun identiteit werd gebruikt om de woningen te huren. Ze mochten op één etage gratis wonen. Op de andere etage zou dan de wietkwekerij worden ingericht. De wietkwekers hadden geld geleend bij [M] en wilden dat niet teruggeven. [M] wilde ze op deze manier terugpakken en geld van ze afpakken. Ik heb € 10.000 van [M] gekregen om de slachtoffers van de oplichtingszaak te compenseren; verder was het schadevergoeding voor de dagen dat ik had vastgezeten. De verdachte heeft met betrekking tot de persoon van [M] niet meer informatie gegeven dan dat hij destijds 32 jaar was, een gezet postuur en altijd gel in zijn haar had, in een zilvergrijskleurige Mercedes reed, ergens in [plaats 1] woonde, een zware crimineel en een loan shark was en tot de Grijze Wolven hoorde. De verdachte heeft in het vooronderzoek geen verdere informatie over [M] gegeven die dienstig zou kunnen zijn geweest aan diens identificatie en daarmee aan een onderzoek naar diens betrokkenheid bij de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Tijdens de berechting in eerste aanleg heeft de verdachte op geen enkele vraag antwoord willen geven. Ook in hoger beroep heeft hij geen enkele vraag willen beantwoorden. Daardoor heeft het hof geen concreter beeld gekregen van de persoon van [M] . Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte niet consistent over [M] en diens wijze van opereren heeft verklaard. Eerst heeft de verdachte gesuggereerd dat hij geen last meer had van de Grijze Wolven sinds hij begin 2011 was weggegaan uit [plaats 1] en anoniem was gaan leven. Later verklaarde hij dat hij ook nadien nog bezoek had gehad van [M] . Aanvankelijk waren de slachtoffers van de oplichting volgens de verdachte “onschuldige gasten”. Later verklaarde de verdachte dat zij werkzaam waren voor wietkwekers. Eerst omschreef de verdachte de oplichtingen als een “idee” van [M] die hem “adviseerde”. In een latere verklaring zei de verdachte dat hij door [M] was “gedwongen” aan de oplichting mee te werken. Het is voorts onopgehelderd gebleven hoe het feit dat de verdachte bang was voor [M] – in zijn ogen een Grijze Wolf en een zware crimineel – zich verhoudt tot de omstandigheid dat de verdachte op kennelijk vrijwillige basis [M] liet langskomen en zelfs een periode liet verblijven in zijn woning. Ook is niet duidelijk wat loan shark [M] zou hebben doen besluiten het door hem ontvangen geld van de opgelichte slachtoffers terug te geven aan de verdachte en hem zelfs financieel te compenseren voor de drie dagen die hij in verband met de oplichtingszaak had vastgezeten, terwijl de verdachte nog een groot bedrag aan [M] verschuldigd zou zijn. De mogelijkheid dat [M] als spijtoptant berouw zou hebben gekregen van zijn daden – zo die mogelijkheid al enige geloofwaardigheid zou verdienen – is door de verdachte niet naar voren gebracht. De door de verdachte genoemde toezegging van [M] dat deze de verdachte na diens detentie in verband met de oplichtingszaak (van 20 t/m 23 december 2013) diens paspoort zou terggeven, valt niet te rijmen met het feit dat de politie gedurende die detentie in de woning van de verdachte dat paspoort heeft aangetroffen. En de stelling van de verdachte over de Motorola-telefoon die hij van [M] zou hebben gekregen voor één-op-één-contact met [M] bleek na onderzoek door de politie onjuist te zijn: het geheugen van de telefoon bevatte (sms-)berichten aan uiteenlopende personen die bovendien geen enkel verband houden met hetgeen de verdachte over [M] heeft verklaard. De verdediging heeft voor het bewijs van het bestaan van [M] nog gewezen op een aantal afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken in de woning van de verdachte (met onder anderen bekenden van [M] ) over [M] . Maar nog afgezien van de omstandigheid dat die – door het hof beluisterde gesprekken – veeleer wijzen op eenzijdige monologen dan op conversaties met een gesprekspartner, zijn het louter uitlatingen van de verdachte zelf die steun zouden moeten bieden aan de juistheid van zijn verhaal over [M] . Ook als het zou kloppen dat sommige gesprekken niet volledig juist zijn weergegeven of vertaald en de door de verdediging aangedragen weergave wel de juiste is, dan nog heeft te gelden dat de desbetreffende uitlatingen van de verdachte geen enkele steun vinden in andere feiten of omstandigheden. Ook de stellingen van de verdachte in zijn brief van 4 februari 2014 aan zijn toenmalige raadsman over bezoeken door kennissen van [M] en telefoongesprekken met [M] – welke bezoeken en gesprekken onder meer zouden hebben plaatsgevonden gedurende de 49 uur die de OVC-apparatuur alleen als ruis heeft geregistreerd – zijn van één bron afkomstig: de verdachte zelf. Het zijn, kortom, beweringen van alleen de verdachte die geen enkel begin van aannemelijkheid opleveren van enige betrokkenheid van [M] bij de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat de stelling dat [M] de eigenaar is van de bedoelde gegevensdragers als zeer onaannemelijk terzijde wordt geschoven. Het hof gaat niet mee met het standpunt van de verdediging dat politie en openbaar ministerie nader onderzoek hadden moeten verrichten om [M] te vinden. Uitgaande van de stelling dat onderzoek op internet zou aantonen dat aan de naam [M] concrete personen zijn te verbinden, had het juist op de weg van de verdediging gelegen nader aan te duiden welke van die concrete personen degene was over wie de verdachte steeds sprak. En indien het zo is, zoals eveneens is betoogd, dat [M] mogelijk een alias is, valt niet in te zien hoe politie en openbaar ministerie zonder nadere informatie over [M] onderzoek naar hem hadden kunnen instellen. Voor de suggestie dat de verdediging het alternatieve scenario aannemelijker had kunnen maken als zij toegang had gekregen tot de forensische kopieën van alle gegevensdragers, is evenmin een adequate, nadere onderbouwing gegeven. Hetgeen de verdediging nog heeft aangevoerd als bevestiging (van het betoog over [M] ) in het dossier op vijf punten kan aan het voorgaande niet afdoen, waarbij het hof nog het volgende in aanmerking neemt. 1. De gestelde omstandigheid dat harde schrijven – die volgens de verdachte van [M] waren – na de aanhouding van de verdachte zijn gevonden in een (verhuis)doos, dus niet aangekoppeld aan een computer, betekent niet dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van die harde schijven, nog daargelaten dat de politie één van die schijven juist in die periode aangekoppeld heeft aangetroffen. 2. De verklaring van een jeugdvriend van de verdachte dat deze computers voor anderen repareerde, zegt niets over het bestaan van [M] , laat staan over zijn betrokkenheid bij enig aan de verdachte tenlastegelegd feit. 3. De stelling dat de verdachte geen toegang had tot de hem belastende bestanden omdat deze zich sinds september 2012 op unallocated clusters bevonden, deze alleen met forensische methoden (en dus niet door de verdachte) konden worden achterhaald en de informatie op die unallocated clusters in 2013 is gebruikt om een aantal D’s af te persen, mist feitelijke grondslag, nu ook op andere gegevensdragers en op andere plaatsen dan de unallocated clusters belastende bestanden zijn gevonden, hetgeen erop wijst dat de verdachte de bestanden elders heeft opgeslagen, nog daargelaten de juistheid van zijn stelling dat bestanden op unallocated clusters alleen met forensische methoden achterhaald zouden kunnen worden. 4. Enige “disconnectie” tussen de twee zogenaamd aan [M] toebehorende harde schijven en alle andere gegevensdragers en computers in de woning van de verdachte is niet aannemelijk geworden. 5. De omstandigheid dat op de twee aan [M] toegeschreven harde schijven geen personalia van de verdachte zouden zijn aangetroffen, impliceert niet dat de verdachte niet de gebruiker van die schijven is geweest. 12a. Heeft de verdachte de accounts gebruikt? Inleiding De aan de verdachte tenlastegelegde zedenmisdrijven zijn via internet gepleegd. De vraag die moet worden beantwoord, is of de verdachte de persoon is achter de accounts die daarvoor werden gebruikt. De verschillende accounts lijken door één persoon te zijn gebruikt en lijken bij elkaar te horen, wanneer het ene account verwijst naar het andere account. Daarmee lijken die accounts een netwerk te vormen. In onderdeel 12b van dit arrest gaat het hof daarop nader in. Op verschillende plaatsen kan ook een verband gelegd worden tussen de online accounts en de fysieke, echte wereld. Daar kan ook gekeken worden naar de persoon achter die accounts. Skrill-account ‘ [e-mail persoon C] ’ Eén van de situaties waar een verband bestaat tussen de echte wereld en het netwerk van accounts is de oplichting van huurders van de woning in de [straat 1] in [plaats 1] in januari 2011. De verdachte heeft bij de politie bekend dat hij daar mensen heeft opgelicht. Op 13 januari 2011 hebben verbalisanten de verdachte in het trapportaal op dat adres aangetroffen. De verdachte heeft zich toen gelegitimeerd met een paspoort op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [plaats 2] . [persoon C] was één van de slachtoffers van die oplichting. Zij had een kopie van haar paspoort verstrekt aan [naam 3] , waarvan de verdachte heeft erkend dat hij deze naam toen heeft gebruikt. Op 25 januari 2011 werd op naam van dit slachtoffer een internetbankaccount bij Skrill aangemaakt, zonder dat zij daarvan wist. Daarvoor werd het emailadres [e-mail persoon C] gebruikt. Het account werd geregistreerd op het adres [park B] . De verdachte verklaarde in april 2015 bij de rechter-commissaris dat hij daar tot maart 2011 heeft verbleven. Op 21 december 2013 trof de politie in de woning van de verdachte documenten aan van Moneybookers, later Skrill geheten. Eén van die documenten was de pincodebrief van 2 maart 2011 die hoorde bij het account op naam van [persoon C] . De daarbij behorende Mastercard lag ook in de woning. De gebruiker van het Skrill-account [e-mail persoon C] identificeerde zich bij de aanvraag onder meer met een kopie van een bankafschrift van ING. Dit bankafschrift was een Photoshop-bestand dat werd aangetroffen op de harde Maxtor schijf OI013.02.02.002 in de woning van de verdachte. Het Photoshop-bestand was een bewerking van een bankafschrift op naam van de verdachte. Het rekeningnummer op de beide afschriften was hetzelfde. Ook bevatten beide afschriften een bijschrijving van 150 euro, waarbij de afzender ( [naam 4] ) en de omschrijving (betaling herstellen computer) identiek was. Uit deze feiten en omstandigheden in samenhang bezien volgt dat de verdachte de gebruiker was van het Skrill-account [e-mail persoon C] . Andere Skrill-accounts Het Skrill-account [e-mail persoon C] staat niet op zichzelf. De verdachte heeft onder zijn eigen naam op 7 januari 2011 het Skrill-account [e-mail naam 5] geregistreerd. Op 2 november 2011 is met deze naam een Skrill-account met het emailadres [e-mail naam 6] geregistreerd vanaf het IP-adres [ip-adres B] , behorend bij het adres [straat 3] 101. De verdachte verbleef toen onder de naam [naam 7] op [straat 3] 209, op ongeveer 60 meter afstand van [straat 3] 101. In het najaar van 2011 maakte het Skrill-account [e-mail persoon C] , net als de Skrill-accounts [e-mail naam 5] , [e-mail naam 6] en [e-mail persoon D] gebruik van genoemd IP-adres [ip-adres B] . Met dit IP-adres is ingelogd op het Skrill-account van [naam 6] in de periode van 3 november 2011 tot en met 2 maart 2012. Op het adres [straat 3] 209 stonden de Skrill-accounts [e-mail persoon D] en [e-mail persoon B] geregistreerd. [persoon D] en [persoon B] zijn personen die beiden een kopie van hun paspoort hadden verstrekt aan de zogenaamde verhuurder van de woning aan de [straat 2] in [plaats 1] , omdat zij deze wilden huren. Zij hebben verklaard dat zij geen Skrill-account hadden en dat zij niet wisten dat een account op hun naam was aangemaakt. Een groot deel van de geldbedragen die werden ontvangen op het account [e-mail persoon B] , werd contant opgenomen bij een pinautomaat in [plaats 3] met behulp van een Mastercard uit de woning van de verdachte. De Skrill-accounts [e-mail persoon C] , [e-mail naam 5] , [e-mail persoon D] , [e-mail persoon B] en [e-mail naam 6] zijn ook met elkaar verbonden doordat onderling geld werd overgeboekt. Dit een en ander voert tot de slotsom dat deze Skrill-accounts in gebruik waren bij slechts één persoon en dat was de verdachte. Betalingen van D35, 37, 38 en 39 via Skrill en Western Union De meerderjarige mannen die naar aanleiding van de chantage/oplichting geld hebben betaald, deden dit onder meer via Skrill. Zo maakte D39 geldbedragen over naar de Skrill-accounts [e-mail naam 6] en [variant 1 e-mail naam 6] . [variant 1 e-mail naam 6] maakte net als [e-mail naam 6] geld over naar [e-mail persoon C] . D39 ontving van ‘ [naam 8] ’ de opdracht contact op te nemen met ‘ [naam 6] ’ via het emailadres [variant 1 e-mail naam 6] . Deze berichten van Windows Live Messenger-account ‘ [naam 8] ’ werden aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 die in de woning van de verdachte in beslag werd genomen. Bij latere betalingen moest D39 geld overmaken via Western Union. De naam van de ontvanger die D39 moest opgeven was [verdachte] . Het geld werd opgehaald door iemand die zich legitimeerde met het paspoort van de verdachte op naam van [verdachte] . Dat paspoort trof de politie na de aanhouding van de verdachte in zijn woning aan. Een extra aanwijzing dat de verdachte degene is die de Western Union-betalingen in ontvangst nam, volgt uit een betaling door D35. Ook hij moest via Western Union geld betalen aan een rekening op naam van [verdachte] . In een opgenomen telefoongesprek van 1 december 2013 noemt [verdachte] zijn naam in een gesprek met een medewerker van het GWK en hij vraagt of hij die dag een Western Union-transactie kan komen ophalen. Daarnaast herkenden medewerkers van de politie de verdachte op de camerabeelden van die transactie op 1 december 2013 van het GWK aan [adres] in [plaats 2] . Bij die transactie werd voor de legitimatie ook gebruik gemaakt van het paspoort van de verdachte. Hieruit volgt dat de verdachte de geldbedragen ontving die D39 in het kader van de chantage/oplichting via Skrill en Western Union betaalde. Deze betalingen staan in nauw verband met de betalingen van D35 en D37 via Western Union. De bedragen die D37 en D38 via Skrill overmaakten, kwamen steeds terecht bij Skrill-accounts van de verdachte. Dat betekent dat de verdachte dus eveneens de geldbedragen van D35, D37 en D38 ontving. De verdachte is ook de persoon achter andere accounts die met die chantage/oplichting zijn verbonden, te weten [variant 1 e-mail naam 6] , [e-mail naam 9] , [e-mail naam 10] , [e-mail naam 11] , [e-mail naam 12] , Windows Live Messenger-account ‘ [naam 8] ’ en de Facebook-accounts [naam 13] en [naam 6] . De keylogger De politie installeerde, zoals hiervoor al aan de orde kwam, op onder andere de desktopcomputer in de woning van de verdachte een keylogger. De verdachte verklaarde in april 2015 bij de rechter-commissaris dat hij in principe de enige gebruiker was van de desktopcomputer. De keylogger registreerde dat de gebruiker van die computer was ingelogd op het Yahoo-account ‘ [naam 9] ’. ‘ [naam 14] ’ gaf op 6 oktober 2013 via dit emailadres aan D35 de opdracht via Western Union geld aan [verdachte] over te maken. De keylogger registreerde ook het gebruik van het emailadres [e-mail naam 7] . [naam 7] is de naam die de verdachte gebruikte om zijn woning op het park [straat 3] te huren. De verdachte was derhalve de gebruiker van de desktopcomputer en hij verrichtte de handelingen die door de keylogger zijn vastgelegd. Hieruit volgt dat de verdachte de persoon is achter [e-mail naam 9] en degene die zich uitgaf voor ‘ [naam 14] ’. Skype account ‘ [variant 2 naam 1] ’ De keylogger registreerde ook het gebruik van het Skype-account ‘ [variant 2 naam 1] ’. Geregistreerd werd dat ‘ [variant 2 naam 1] ’ op 23 december 2013 een seksueel getinte chat voerde met een meisje. [naam 1] vroeg in die chat een sexy camsessie op te zetten. Het meisje verrichtte seksuele handelingen bij zichzelf. Ook had ‘ [variant 2 naam 1] ’ contact met een Skype-account van D15 op momenten dat een Britse undercoveragent daarvan gebruik maakte. Dat contact vond plaats op 10 januari 2014, tussen 16.09 uur en 16.25 uur (Engelse tijd), en op 13 januari 2014, tussen 20.48 uur en 20.58 uur (Engelse tijd). Op beide tijdstippen was de verdachte in zijn woning aanwezig. Op 10 januari 2014 is de communicatie in de woning gedurende bijna drie uur opgenomen. In de periode waarin de chat tussen de undercoveragent en ‘ [variant 2 naam 1] ’ plaatsvond, zijn toetsaanslagen te horen. Ook zijn af en toe geluiden van de verdachte te horen die worden beschreven als gemompel en gevloek. Uit het proces-verbaal van de opname kan op geen enkele manier worden afgeleid dat behalve de verdachte nog een andere persoon in de woning aanwezig was en de verdachte heeft daarover ook niet verklaard. Daarom neemt het hof aan dat de verdachte toen alleen in de woning was. Op 13 januari 2014 is de woning van de verdachte vanaf 18.00 uur (Nederlandse tijd) door de politie geobserveerd. De observatie duurde tot aan het moment dat de politie de woning van de verdachte binnenviel en de verdachte om 22.00 uur (Nederlandse tijd) aanhield. Tussen 18.00 uur en 22.00 uur zag het observatieteam geen personen aankomen of weggaan bij de woning van de verdachte. De verdachte was de enige persoon in de woning ten tijde van de aanhouding en hij was dus ook tijdens de chat op 13 januari 2014 (die tot twee minuten voor zijn aanhouding voortduurde) alleen in de woning. Het Skype-account ‘ [variant 2 naam 1] ’ staat ook in verband met andere onderzoeksgegevens. Zo werd op de laptop in de woning van de verdachte een verwijzing naar dit account aangetroffen. Ook gaven de Hotmail-accounts ‘ [variant 3 naam 1] ’ en ‘ [variant 4 naam 1] ’ aan dat andere gebruikers hen op Skype konden toevoegen via het account ‘ [variant 2 naam 1] ’. De contactenlijsten van deze Hotmail-accounts zijn aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 . Het Facebook-account ‘ [variant 5 naam 1] ’ zond in mei 2013 als statusbericht dat zij een nieuw Skype‑account had: [variant 2 naam 1] . Eerder noemde [variant 5 naam 1] [e-mail variant 4 naam 1] als haar/zijn MSN-account. [variant 5 naam 1] gaf ook door dat contact opgenomen moest worden met [naam 6] via het emailadres [e-mail naam 6] . Dat was het emailadres dat hoorde bij het Skrill-account waarnaar D38 en D39 geld moesten overmaken. Hieruit volgt dat de verdachte de gebruiker was van het Skype-account ‘ [variant 2 naam 1] ’, het Facebook-account [variant 5 naam 1] en de Hotmail-accounts ‘ [variant 3 naam 1] ’ en ‘ [variant 4 naam 1] ’. De verankering op verschillende gegevensdragers laat zien dat die bij elkaar horen en één gebruiker hebben: de verdachte. De koppeling met [e-mail naam 6] laat ook zien dat de [naam 1] -aliassen (typerend voor het chanteren van jonge meisjes) en de [naam 6] -aliassen (typerend voor het chanteren/oplichten van mannen) bij elkaar hoorden en door de verdachte gebruikt werden. Virtuele webcams Uit de registraties van de keylogger blijkt dat de dader gebruik maakte van een virtuele webcam. Op verschillende gegevensdragers die in de woning van de verdachte zijn aangetroffen, vond de politie programma’s voor een virtuele webcam. Zo werd het programma ‘Manycam’ aangetroffen op de laptop, de desktop en de Hitachi harde schijf. Op de laptop en de desktop was als installatiedatum van dat programma vermeld 27 november 2013, een dag na de verhuizing van de verdachte naar [park B] . Daarnaast werd op de Hitachi harde schijf, de Western Digital harde schijf en de laptop het programma ‘WebcamMax’ aangetroffen. Als installatiedatum daarvan op de laptop is eveneens vermeld 27 november 2013. Daarnaast werden op een andere harde schijf, merk Maxtor, installatieprogramma’s aangetroffen voor zowel Manycam als Webcammax. Het gebruik van een virtuele webcam door de dader bleek uit de registraties van de keylogger. Ook bleek dit uit een opname die werd aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 . Daarnaast zijn eveneens op verschillende gegevensdragers afbeeldingen, films en/of thumbnails van pornoactrice [L] aangetroffen. Foto’s van haar werden gebruikt als profielfoto voor verschillende [naam 1] -varianten en de video’s werden blijkens de verklaringen van een groot aantal D’s aan hen vertoond en gepresenteerd alsof deze films rechtstreeks waren gemaakt met de webcam van de afzender. Het hof leidt uit de beschrijving van die persoon door de D’s en de aanwezigheid van de virtuele webcams op de gegevensdragers van de verdachte af, dat de [L] -films hiermee zijn vertoond. Op de laptop zijn drie thumbnails aangetroffen met een afbeelding van [L] , waarbij bij twee afbeeldingen is vermeld: last written op 30 november 2013 en bij de derde afbeelding: last written op 16 december 2013. Twee van deze drie afbeeldingen komen overeen met foto’s van dezelfde vrouw die zijn aangetroffen op de door het NFI herstelde Hitachi harde schijf. Op deze harde schijf zijn toegankelijke bestanden (in totaal 37 video’
  9. s)van die actrice aangetroffen, waarmee verwijderde bestanden van de Western Digital harde schijf corresponderen. Hiermee is tevens vastgesteld dat de verdachte ook sinds zijn verhuizing naar [park B] kon beschikken over virtuele webcamprogramma’s, waarmee hij zich via de webcam in bewegende beelden kon voordoen als [L] /‘ [naam 1] ’. Het op verschillende gegevensdragers aantreffen van dezelfde virtuele webcamsoftware, mede in verband met dezelfde laatste installatiedatum, alsmede het op verschillende gegevensdragers aantreffen van [L] -bestanden, ondersteunen de conclusie dat die gegevensdragers één gebruiker hebben gehad en dat die gegevensdragers onder meer werden gebruikt voor het chanteren van jonge meisjes en mannen met behulp van een virtuele webcam. De verdachte is de gebruiker van de accounts en de gegevensdragers Het voorgaande laat zien dat verschillende belastende gedragingen en verschillende gegevensdragers met belastende informatie met elkaar en met de verdachte verbonden zijn. Zonder uitputtend te zijn: hij is de begunstigde van door gechanteerde/opgelichte mannen via Western Union en Skrill overgeboekt geld, stond op camerabeelden bij een Western Union-transactie, lichtte huurders van de [straat 1] en de [straat 2] in [plaats 1] op, de harde schijven, de documenten van Moneybookers/Skrill lagen in zijn woning en de keylogger op de desktopcomputer van de verdachte registreerde een seksueel getinte chat met een jonge vrouw. Voor zover de verdachte over deze omstandigheden iets heeft verklaard, kwam dat erop neer dat niet hij, maar [M] de dader was. Zoals hiervoor gemotiveerd is uiteengezet, verwerpt het hof, met de rechtbank en het openbaar ministerie, die lezing. Ook verder zijn er geen omstandigheden die erop wijzen dat de verdachte niet de persoon achter het netwerk van accounts was. Bij de verdere beoordeling van de feiten wordt er dan ook van uitgegaan dat de verdachte de persoon achter het netwerk van accounts was. 12b. Handvatten om de omvang van het netwerk van accounts vast te stellen Inleiding Bij de beantwoording van de vraag welke accounts onderdeel uitmaakten van het netwerk van de verdachte wordt ervan uitgegaan dat hij de enige gebruiker is geweest van de harde schijven in zijn woning en de in deze zaak aan hem te koppelen accounts. Op zichzelf hoeft het niet zo te zijn dat de harde schijf of een account slechts door één persoon wordt gebruikt, maar het dossier bevat geen aanwijzingen dat naast de verdachte ook anderen hiervan gebruik hebben gemaakt. In het bijzonder bevat het dossier geen aanwijzingen dat een ander (een deel van) de belastende berichten verstuurde of deze op de harde schijven zette. Van een verdachte mag in zo’n situatie worden verwacht dat hij een concrete inhoudelijke verklaring geeft als hij slechts een deel van de berichten zou hebben verstuurd. De verdachte heeft zo’n verklaring niet gegeven. Zoals hiervoor is uiteengezet, kan zijn verklaring over [M] in elk geval niet als zodanig worden opgevat. Voor het beantwoorden van de vraag welke accounts onderdeel uitmaakten van het netwerk van de verdachte, maakt het ook niet uit waar de informatie, die hij aan een account koppelde, op een harde schijf is aangetroffen. De omstandigheid dat een verwijzing in bijvoorbeeld de unallocated clusters of een pagefile.sys-bestand is aangetroffen, laat zien dat die verwijzing op enig moment direct raadpleegbaar op die harde schijf aanwezig is geweest. Op dat moment is dan ook een verband aanwezig tussen de verdachte en dat account. Het verwijderen van die verwijzing maakt niet dat het verband daarna niet meer aanwezig is. Datzelfde geldt wanneer een harde schijf in januari 2014 stuk was. Verbanden met accounts die daarop zijn aangetroffen, zijn op enig moment voor de gebruiker van de harde schijf, de verdachte dus, beschikbaar geweest. Het stuk gaan van de harde schijf maakt niet dat het verband daarmee is verdwenen. Algemene opmerkingen over de wijzen waarop het hof verbanden tussen accounts en de verdachte legt A. Als een account is aangetroffen op één van de gegevensdragers in de woning van de verdachte, dan wordt daaruit afgeleid dat de verdachte de gebruiker is geweest van dat account. Als voorbeeld wordt gewezen op een Skype-bericht dat is aangetroffen op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 . Het Skype-account ‘ [naam 15] ’ verstuurde dit bericht aan een Skype-account van D9. Hieruit wordt dan afgeleid dat de verdachte de gebruiker was van het Skype-account ‘ [naam 15] ’. Naar dit Skype-account is tevens verwezen door een groot aantal andere Facebook-accountnamen, zoals ‘ [naam 16] ’, ‘ [naam 17] ’, ‘ [naam 18] ’, ‘ [naam 19] ’, ‘ [naam 6] ’, ‘ [variant 2 naam 6] ’, ‘ [naam 20] ’, ‘[verkorte naam D31]’ en ‘ [naam 21] ’. B. Het hof legt ook verbanden op andere manieren. 1. Als vanaf een Facebook-account in een bericht werd geschreven dat de ontvanger een Skype- of MSN-account moest toevoegen, wordt daaruit afgeleid dat die accounts bij elkaar hoorden. Als voorbeeld wordt gewezen op een Facebook-bericht dat ‘ [naam 20] ’ verstuurde. In dit bericht werd onder meer gezegd ‘add skype [naam 15] or msn [e-mail naam 22] ’. Omdat hiervoor al is vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van het Skype-account ‘ [naam 15] ’, kan door dit bericht worden vastgesteld dat hij ook de gebruiker was van het Facebook-account ‘ [naam 20] ’ en van het emailadres [e-mail naam 22] . Naar het in het dossier veel voorkomende account van [e-mail variant 1 naam 19] werd verwezen door onder meer de Facebook-accounts op naam van ‘ [variant 2 naam 19] ’, ‘ [naam 19] ’ en ‘ [variant 3 naam 19] ’. 2. Als een Facebook- of Skype-account een emailadres registreerde, neemt het hof aan dat het emailadres en het account door dezelfde persoon werden gebruikt. Als voorbeeld wordt gewezen op het Facebook-account ‘ [variant 6 naam 1] ’. Bij dit Facebook-account is als emailadres geregistreerd [e-mail variant 3 naam 1] . Omdat de contactenlijst van [e-mail variant 3 naam 1] aanwezig was op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 van de verdachte, wordt vastgesteld dat de verdachte niet alleen de gebruiker was van [e-mail variant 3 naam 1] , maar ook van het Facebook-account ‘ [variant 6 naam 1] ’. Bij het Facebook-account ‘ [naam 23] ’ is het emailadres ‘ [e-mail variant 7 naam 1] ’ geregistreerd. Een aantal Facebook-accounts heeft dezelfde Facebook user ID, zoals ‘ [variant 8 naam 1] / [variant 5 naam 1] ’ en ‘ [naam 19] / [naam 16] ’. Bovendien gebruikten de accounts ‘ [variant 10 naam 1] ’ en ‘ [variant 5 naam 1] ’ een aantal dezelfde Skype-accountnamen, zoals ‘ [variant 2 naam 1] ’, ‘ [variant 11 naam 1] , [variant 12 naam 1] en [variant 13 naam 1] ’. 3. Het dossier bevat een groot aantal accounts met een variant van de naam ‘ [naam 6] ’, bijvoorbeeld het emailadres ‘ [variant 1 e-mail naam 6] ’ en varianten van de naam ‘ [naam 6] ’ met een verschillend aantal ‘s’-en op het eind. Op 27 augustus 2012 is op de naam ‘ [naam 6] ’ het Skrill-account ‘ [variant 1 e-mail naam 6] ’ aangemaakt, waardoor een direct verband tussen beide namen wordt aangetoond. Op de Western Digital harde schijf met beslagnummer OI013.04.01.005 is inhoudelijke informatie aangetroffen die is opgeslagen door het programma Skype. Als Skype-account behorend bij deze Skype-installatie is onder meer vermeld ‘ [variant 3 naam 1] ’, waarvan hiervoor is vastgesteld dat dit een account van de verdachte was. In die Skype-map hebben submappen gestaan, waarvan ‘ [variant 1 naam 6] ’ er één was. Op een gegevensdrager van de verdachte kan dus eveneens een verband worden vastgesteld tussen ‘ [variant 3 naam 1] ’ en de namen ‘ [variant 1 naam 6] ’/’ [naam 6] (ss)’. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte de gebruiker was van al die aliassen, ook als dat op basis van de hiervoor beschreven methoden nog niet was vastgesteld. Daarvoor is van belang dat vastgesteld is dat de verdachte de gebruiker was van verschillende accounts waarvan de naam een variant is op de naam ‘ [naam 6] ’. De ‘ [naam 6] ’-accounts maakten allen gebruik van een soortgelijke werkwijze. Ook blijkt uit het dossier dat de gebruiker van ‘ [naam 6] ’-aliassen zelf varianten op deze naam afwisselde. 4. De naam ‘ [naam 8] ’ komt voor als naam van een minderjarige jongen in de chats met D39. ‘ [naam 6] ’ presenteerde zich als de vader van deze 14-jarige jongen, die naakt voor de webcam tijdens visueel contact met D39 zou hebben gemasturbeerd. D39 moest aan het Skrill-account op naam van ‘ [naam 6] ’ betalen. Deze chats zijn aangetroffen op een bij de verdachte inbeslaggenomen gegevensdrager; de Western Digital harde schijf. De naam ‘ [naam 8] ’ komt eveneens voor in een op diezelfde gegevensdrager aangetroffen film, waarin het verloop van een aantal chatcontacten te zien is. De film is ter zitting van het hof getoond. Het hof heeft waargenomen dat degene die zichzelf voordoet als ‘ [naam 8] ’ op 21 juli 2012 chat met een volwassen man; tijdens dit contact via de webcam masturbeerde die man. In de film is verder te zien dat ‘ [naam 8] ’ aan die man via Manycam een masturbatiefilm van een jongeman vertoont. 5. Een andere invalshoek voor het verbinden van accountnamen aan de verdachte is de opsomming in het dossier van naamswijzigingen die diverse accountnamen in de loop van de tijd hebben ondergaan. Bijvoorbeeld: ‘ [variant 4 naam 19] ’ was een nieuwe accountnaam voor ‘ [naam 6] ’, daarna heette deze ‘ [variant 3 naam 6] ’; de oude naam van ‘ [naam 19] ’ was ‘ [naam 24] ’. Het Facebook ID van ‘ [variant 8 naam 1] ’ werd achtereenvolgens ‘ [variant 14 naam 1] ’; ‘ [variant 5 naam 1] ’ en tenslotte ‘ [variant 2 naam 1] ’. 6. Het hof leidt tenslotte onderlinge verbanden af tussen accountnamen die op grond van het voorgaande aan de verdachte worden gelieerd en contacten met slachtoffers. Bijvoorbeeld: ‘ [naam 1] ’-varianten hadden contact met D1, D2, D3, D4, D6, D7, D8; ‘ [variant 5 naam 1] ’ met D4, D7, D10, D21 en D27; ‘ [naam 23] ’ met D4, D7, D10, D16 en D21; ‘ [naam 6] ’-varianten met D11, D12, D23, D28, D30, D38 en D39 en ‘ [naam 15] ’ met D9, D25, D27, D31, D33 en D34. Te weinig voor een koppeling Via de hiervoor beschreven methoden wordt een zeer groot deel van de in dit dossier voorkomende accounts met elkaar verbonden, maar dat geldt niet voor alle relevante accounts, zoals de accountnamen ‘ [naam 25] ’ die contact had met D29 en ‘ [naam 26] ’ die contact had met D32. De vraag is dan of andere omstandigheden die uit het dossier blijken, voldoende zijn om te bewijzen dat de verdachte de gebruiker was van die accounts, bijvoorbeeld als vastgesteld kan worden dat een specifiek slachtoffer met meer accounts contact had. De vaststelling dat één of meer van die accounts van de verdachte was/waren, wil nog niet zeggen dat om die reden de andere accounts waarmee het slachtoffer contact had, eveneens van de verdachte waren. Hierbij is ook van belang dat aannemelijk is dat de verdachte niet de enige was die zich met dergelijke feiten bezighield. Het via internet chanteren/oplichten van jonge meisjes of mannen is op zichzelf onvoldoende specifiek om uit die gedragingen, al dan niet door middel van schakelbewijs, het gebruik van die accounts door verdachte vast te stellen. Als het dossier nog meer aanvullende omstandigheden bevat die in de richting van de verdachte wijzen, kan wel worden vastgesteld dat hij de gebruiker was van die accounts. In die gevallen zal het hof hierna een aanvullende motivering op deeldossierniveau geven. 13Ontkoppelingsmethoden van de verdediging Op basis van de hiervoor beschreven methode is een netwerk van accounts met elkaar verbonden. Daarbij is vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van dit netwerk van accounts. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet te koppelen is aan de tenlastegelegde feiten en dat zijn alternatieve lezing hout snijdt. Hiertoe heeft zij gewezen op vijf methoden om aan te tonen dat een verband tussen de aangetroffen data/onderzoeksgegevens en de verdachte ontbreekt. Hierna zal het hof ingaan op de gestelde methoden om te onderzoeken of toch geen verband aanwezig is tussen verschillende accounts onderling of tussen accounts en de verdachte. 1. IP-adressen De verdediging heeft aan de hand van de IP-adressen uit [plaats 2] die in het Facebookrapport zijn genoemd, betoogd dat de verdachte in de desbetreffende periode niet de gebruiker kan zijn geweest van deze IP-adressen. Het hof stelt voorop dat de door Facebook vermelde [plaats 2] IP-adressen niet de enige IP-adressen zijn die in 2011 voor relevante contacten (zouden) zijn gebruikt. a. De verdediging heeft onder meer gesteld dat de verdachte tot 20 februari 2011 in België heeft gewoond. Deze stelling snijdt geen hout. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 23 april 2015 verklaard dat hij tot maart 2011 op park [straat 3] heeft gewoond. De argumenten van de verdediging die deze verklaring proberen te ontkrachten gaan niet op. De verdachte heeft deze verklaring ondertekend en overigens is er geen aanleiding te veronderstellen dat dit proces-verbaal in strijd met de waarheid is opgemaakt. Bovendien is op grond van het dossier niet eenduidig vast te stellen dat de verdachte gedurende die jaren in België heeft gewoond. Op 3 juli 2009 is hij weliswaar formeel naar België geëmigreerd en stond hij vanaf 20 augustus 2009 ingeschreven op het adres [adres 4] . Uit ING-bankafschriften volgt echter dat de verdachte voor dat adres in de maanden juli tot en met augustus 2009 maandelijks 490 euro huur ontving van zowel [persoon E] als van [persoon F] . Dit vormt een aanwijzing dat de verdachte die woning in [plaats 4] onderverhuurde. b. De in het Facebookrapport vermelde accounts die vanaf [plaats 2] IP-adressen zijn benaderd waren voor de verdachte bereikbaar, ook toen hij in [plaats 3] Uit het dossier blijkt, mede op grond van de eigen verklaring van de verdachte, dat hij als vervoermiddel een fiets gebruikte. [plaats 2] was vanaf de plaatsen waar de verdachte heeft verbleven in de parken [straat 3] en [park B] met de fiets bereikbaar. Het dossier reikt ook voldoende andere verbanden tussen de verdachte en [plaats 2] aan. De verdachte heeft op een groot aantal data in [plaats 2] geldbedragen opgenomen die afkomstig waren van meerderjarige mannen, aan enkelen van wie uitdrukkelijk is opgedragen geld over te maken op naam van [verdachte] . Tenslotte heeft de verdachte in zijn verhoor op 22 december 2013 op de vraag in welke regio hij actief was, geantwoord: “[plaats 2] en [provincie] en omstreken. Dat is mijn plek. Daar kom ik vandaan”. c. De omstandigheid dat de verdachte niet in [plaats 2] woonde, sluit dus geenszins uit dat hij gebruik heeft gemaakt van [plaats 2] IP-adressen. Uit het dossier blijkt dat de verdachte gebruik maakte van IP-adressen van anderen en er zijn sterke aanwijzingen dat hij gebruik maakte van methoden om een door hem gebruikt IP-adres af te schermen. d. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de gebruiker is geweest van alle IP-adressen die Facebook noemt, maar dat betekent niet dat de verdachte die IP-adressen dus niet gebruikt heeft. Op basis van het hetgeen hiervoor is overwogen, is bepaald niet uitgesloten dat de verdachte van die IP-adressen gebruik gemaakt heeft. e. De verdediging heeft verder naar voren gebracht dat in het Facebookrapport IP-adres [ip-adres A] (hiervoor al aangeduid als [ip-adres A] ) in beeld komt in relatie tot minstens drie accounts. De eigenaar van het park [park B] heeft verklaard dat het eerste contact met de verdachte “ergens eind 2011 is geweest” en ook overigens wijst volgens de verdediging niets in het dossier op een eerder verblijf van de verdachte op dit park. Deze stellingen van de verdediging gaan evenmin op. De omstandigheid dat de parkeigenaar zich als eerste contact met de verdachte eind 2011 herinnert, sluit niet uit dat de verdachte eerder daar of in de omgeving heeft verbleven. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte zich ook bij de (bungalow)parken met verschillende personalia presenteerde en niet uitgesloten is dat dit destijds ook is gebeurd. Bovendien is voor het gebruik van het [ip-adres A] behorend bij de heer [persoon A] die woonde op het [park A] niet per se vereist dat de verdachte zich toen op het park [park B] bevond. Hij kan ook in de directe omgeving zijn geweest. De bij de verdachte inbeslaggenomen wifi-richtantenne gaf hem de mogelijkheid een wifi-signaal op afstand te gebruiken. In de oplichtingszaak betreffende de woning [straat 1] in [plaats 1] heeft de eigenares verklaard dat zij deze op 31 december 2010 met ingang van 1 januari 2011 had verhuurd aan ene [naam 27] . Als diens emailadres was [e-mail naam 27] opgegeven, waarbij gebruik is gemaakt van het [ip-adres A] . Zoals hierna zal worden uiteengezet, blijkt uit de bewijsmiddelen dat het de verdachte was die zich toen in [plaats 1] als [naam 27] heeft voorgedaan. Overigens bevat het dossier aanwijzingen dat de verdachte verschillende malen een vakantiewoning op [park B] en [straat 3] heeft gehuurd, waarbij hij meermalen van het ene park naar het andere verhuisde. Uit een opgenomen telefoongesprek blijkt dat de verdachte, toen hij op 26 november 2013 naar [park B] verhuisde, zei dat hij zich daar thuis voelde omdat hij er al jaren had gewoond. Zijn vriend [persoon E] heeft bevestigd in zijn verklaring dat de verdachte een jaar of twee tot vier op [park B] heeft gewoond en dat hij heen en weer ging. f. Twee van de Facebook-accounts die de verdediging met deze ontkoppelingsmethode wilde ontkoppelen zijn ‘ [variant 5 naam 1] ’ en ‘ [naam 23] ’. Eerder is al besproken dat deze accounts op verschillende manieren zijn gelieerd aan andere relevante accounts. Tegen die achtergrond en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de enkele constatering dat niet daadwerkelijk is vastgesteld dat de verdachte ook van de andere in het Facebookrapport genoemde [plaats 2] IP-adressen gebruik maakte onvoldoende om de accounts ‘ [variant 5 naam 1] ’ en ‘ [naam 23] ’ en alle daaraan door de verdediging verbonden accounts te “ontkoppelen”. 2. Telefoonnummer Facebookrapport ( [telefoonnummer 1] ) Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is volgens Facebook op 26 juli 2011 gebruikt om een voor deze zaak relevant Facebook-useraccount aan te maken. Dit telefoonnummer kan volgens de verdediging evenmin in verband worden gebracht met de verdachte. De verdediging heeft opgemerkt dat dit nummer mogelijk is gebruikt door de gebruiker van de hiervoor bedoelde [plaats 2] IP-adressen. Het hof verwijst voor dit laatste standpunt naar voormelde verwerping van die stelling van de verdediging. De verdediging heeft terecht opgemerkt dat bij het aanmaken van bedoeld Facebook-useraccount geen naam is vermeld. Dat genoemd telefoonnummer is gebruikt bij het aanmaken van een door Facebook relevant geacht useraccount is echter geen op zichzelf staand feit. Het telefoonnummer komt ook voor in de oplichtingszaak inzake de woning aan de [straat 2] in [plaats 1] , waarvan de verdediging heeft gesteld dat niet de verdachte maar [M] de dader was. Hiervoor heeft het hof reeds gemotiveerd geconstateerd dat het de gestelde betrokkenheid van [M] volstrekt onaannemelijk acht. Ook los van genoemd telefoonnummer blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen duidelijk dat de verdachte de oplichting met betrekking tot de woning aan de [straat 2] wel heeft gepleegd. Hij heeft bekend dat hij begin 2011 op soortgelijke wijze aspirant-huurders van de [straat 1] in [plaats 1] heeft opgelicht met het gebruik van diverse aliassen, vermeld in vervalste kopieën van paspoorten, waarop telkens een pasfoto van de verdachte was aangebracht. Bij de (ver)huur van het huis aan de [straat 2] zijn ook paspoort-kopieën overgelegd met dezelfde pasfoto, waarop de verdachte door de politie is herkend. Eén daarvan stond op naam van [naam 2] . Volgens [persoon B] , die de woning had bezichtigd, heeft [naam 2] zich toen voorgedaan als verhuurder en heeft hij als zijn telefoonnummer vermeld [telefoonnummer 1] . Dit telefoonnummer is dus wel aan de verdachte te koppelen omdat de dader van die oplichting, de verdachte, het heeft gebruikt. Ook is dit telefoonnummer door de verdachte gebruikt bij het openen van Skrill-accounts. 3. Laatste contact tussen dader en slachtoffer De verdediging heeft gesteld dat het er in het geheel van mogelijk te koppelen accounts om gaat of kan worden vastgesteld dat het de verdachte was die het toetsenbord bediende en dus of hij degene was achter de accounts. De verdediging gaat hierbij uit van de datum waarop slachtoffers voor het laatst contact hadden met de dader. Zij heeft betoogd dat indien over de desbetreffende periode geen gegevens beschikbaar zijn op een harde schijf van de verdachte, het desbetreffende account niet aan de verdachte te koppelen valt. Deze stelling gaat ook op voor reeds verwijderde informatie, aldus de verdediging. Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring niet nodig is dat ál het bewijs specifiek is te vinden op bij de verdachte aangetroffen gegevensdragers. In een groot aantal gevallen is op de gegevensdragers van de D’s informatie aangetroffen die direct verwijst naar contacten met een ander account van de verdachte in bedoelde periode of onder dezelfde accountnaam tijdens eerdere contacten met de desbetreffende D. De verdediging heeft in het bijzonder opgemerkt dat het laatste contact met D1 rond 8 maart 2013 is geweest, waarbij de dader heeft gezegd dat zij het Skype-account ‘ [variant 11 naam 1] ’ moest toevoegen. De verdediging heeft gesteld dat in de bij de verdachte aangetroffen gegevensdragers geen spoor is aangetroffen van het gebruik van dit Skype-account en da

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.