beschikking GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling strafrecht rekestnummer(s): 001071-18 (89 Sv) en 001070-18 (591a Sv) parketnummer in hoger beroep: 23-004269-16 Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. T. Fuchs, [adres]. 1Inhoud van het verzoekschrift Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding, op de voet van artikel 89 Sv, tot een bedrag van € 630,00 (A) ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer. Het verzoekschrift strekt voorts tot het toekennen van een vergoeding op de voet van artikel 591a Sv ter zake van: kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 143,00 (B); reiskosten en verblijfskosten gemaakt ten behoeve van het onderzoek en het bijwonen van de behandeling van de strafzaak ten bedrage van € 331,00 (C) en € 47,50 (D); kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 550,00 (E). Ter terechtzitting van de raadkamer van dit hof heeft de advocaat namens verzoeker het verzoek tot toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak ingetrokken. 2Procesverloop Het verzoekschrift is op 11 september 2018 ingekomen. Op 8 november 2018 heeft de advocaat-generaal schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt. Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 30 november 2018 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker is niet verschenen. 3Beoordeling van het verzoekschrift Bij arrest van dit hof van 13 juni 2018 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend. Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 89 Sv (A) Verzoeker is op 30 september 2016 in verzekering gesteld. Vervolgens is hij op 3 oktober 2016 in vrijheid gesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. De forfaitaire bedragen ter vergoeding van schade door preventieve detentie, zoals die in de oriëntatiepunten en aanbevelingen van het LOVS zijn opgenomen, worden beschouwd zowel materiële als immateriële schade te betreffen. In bijzondere gevallen, en voor zover gesteld en deugdelijk onderbouwd, kunnen hogere bedragen worden toegekend (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2018:978). Verzoeker heeft anderhalf maal de forfaitaire dagvergoeding gevraagd en daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat de detentie voor verzoeker als net meerderjarige, die niet eerder met de politie in aanraking is gekomen, zeer traumatisch was en dat hij eveneens een schooldag heeft moeten missen. In hetgeen door verzoeker is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding een hogere dan forfaitaire vergoeding toe te wijzen, mede gelet op de omstandigheid dat verzoeker niet onderbouwd heeft aangegeven waarin het verschil bestaat tussen zijn ervaringen en die van andere in verzekering of voorlopige hechtenis gestelde personen die voor schadevergoeding in aanmerking komen. Wat daartoe is aangevoerd (gemiste schooldag, geringe leeftijd, eerste ervaring met politie/justitie) is onvoldoende voor een hogere vergoeding dan de forfaitaire. Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig tot toekenning van een vergoeding ter zake van de door verzoeker ondergane inverzekeringstelling tot een bedrag van € 315,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.