GERECHTSHOF AMSTERDAM, MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER BESCHIKKING op het verzoek strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats], wonende te [adres], thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan. De feiten en de rechtsgang Het hof heeft gezien de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte, alsmede het veroordelend vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2017 waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zijn ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege is gelast. Voorts heeft het hof gezien het door de verdachte ingediende verzoekschrift van 27 september 2018 waarin de raadsman verzoekt te verstaan dat de voorlopige hechtenis is opgeheven omdat deze per 16 juli 2018 van rechtswege is geëindigd. Het hof heeft bij de behandeling in raadkamer op 17 oktober 2018 gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte, mr. R.T. Poort die heeft waargenomen voor mr. H.J.G. Dudink. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsman kort weergegeven het navolgende aangevoerd. Op 15 juni 2018 heeft het hof bij tussenarrest beslist op onderzoekswensen van de zijde van de verdediging. Het hof heeft verzuimd in dit arrest een beslissing te nemen over de aanhouding van de behandeling en het voortduren van de voorlopige hechtenis. Op grond van het bepaalde in artikel 282 Sv kan het onderzoek niet langer dan voor de duur van drie maanden geschorst worden wanneer een verdachte in voorlopige hechtenis zit, en wanneer er klemmende redenen zijn op grond waarvan de zaak niet binnen één maand weer op zitting kan worden behandeld. Niet is gebleken dat er sprake was van dergelijke klemmende redenen en het hof heeft dit in ieder geval niet vastgesteld. In die omstandigheden vloeit uit het bepaalde in artikel 282 Sv voort dat de voorlopige hechtenis één maand na schorsing van het onderzoek van rechtswege is opgeheven. Dit betekent dat op 16 juli 2018 de voorlopige hechtenis van de verdachte was geëxpireerd. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat op een vergelijkbaar verzoek al op de terechtzitting van 25 september 2018 is beslist, dan wel dat het moet worden afgewezen. Meer subsidiair heeft zij de gevangenneming gevorderd op grond van artikel 66a Sv. De beoordeling Het hof constateert dat het thans voorliggende verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling niet (geheel) gelijk is aan het eerdere verzoek ex artikel 69 Sv dat is gedaan op de terechtzitting van 25 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.