afdeling strafrecht parketnummer: 23-001031-17 datum uitspraak: 7 mei 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-871785-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , adres: [adres 1] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 04 augustus 2015 te Hoofddorp , gemeente Haarlemmermeer, op of aan de openbare weg IJweg [Toolenburgerplas] , althans op of aan een openbare weg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen - een tas, inhoudende [ondermeer] een portemonnee met een of meer bankpassen en/of 21 euro en/of een hoeveelheid cosmetica-artikelen en/of medicijnen en/of weed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] ,in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader[s] en/of - een of meer tassen inhoudende [ondermeer] een of meer blikjes drinken en/of een portemonnee en/of sleutels en/of sigaretten, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader[s], welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd met geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader[s] hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader[s] - die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] voorzien van hoofd/gezichtsbedekking [capuchons/mutsen/petten] is/zijn genaderd en/of [dreigend] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Weten jullie wel hoe het hier in Overbos er aan toegaat?" en/of "Wij willen die zak weed hebben!" en/of " We hebben wapens bij ons!" en/of "We kunnen nog meer vrienden halen!", althans woorden van gelijke [dreigende] aard en/of strekking en/of - die [slachtoffer 3] [met kracht] [tegen een hek] heeft/hebben geduwd en/of - die [slachtoffer 1] [met kracht] op/tegen de grond heeft/hebben gegooid en/of een of meermalen [met kracht] met de [tot vuist gebalde] hand in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (enigszins) andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging De vrienden [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] bevonden zich op in de late avonduren van 4 augustus 2015 aan een picknickbank naast [bedrijf] , gelegen aan de Toolenburgerplas in Hoofddorp . [slachtoffer 1] had een zak wiet bij zich en had haar handtas op tafel gelegd. De handtas van [slachtoffer 2] stond ook op tafel. Op enig moment voegde zich een groep van ongeveer 8 tot 10 hen onbekende jongens bij hen. De groep bestond uit een paar negroïde jongens, alsmede twee jongens met een Arabisch-Marokkaans uiterlijk en één jongen met een Hindoestaans uiterlijk. Laatstgenoemde vertelde ook dat hij Hindoestaans was. Een andere jongen, die donkergetint was, vertelde dat hij uit Overbos kwam. Er werd gezamenlijk gepraat en (jointjes) gerookt. Na verloop van tijd ging de groep weer weg. De jongens gingen verderop bij het restaurant staan. Even later, om of omstreeks 23.30 uur, liepen ongeveer zes jongens uit die groep opnieuw richting de picknicktafel. Zij droegen een pet met klep voor hun ogen of hadden een capuchon over hun hoofd heen gedaan. De groep jongens ging op een intimiderende manier om de vrienden heen staan en omsingelden hen als het ware. De jongens werden door [slachtoffer 1] direct herkend als deel uitmakend van de groep die kort daarvoor gezellig bij de vrienden was aangeschoven. [slachtoffer 2] herkende in het bijzonder de Hindoestaanse jongen van even daarvoor. Eén van de jongens zei tegen de vrienden: “Weten jullie hoe het er hier in Overbos aan toegaat? Wij willen die zak wiet hebben.” Twee jongens beletten [slachtoffer 3] om naar [slachtoffer 1] te lopen door een ferme hand tegen zijn borst te plaatsen. Vervolgens zei de jongen die het woord voerde dat de vrienden alles wat zij bij zich hadden zouden meenemen als [slachtoffer 1] de zak niet zou geven; hij kreeg bijval van de andere jongens. De jongens zeiden ook dat zij wapens bij zich hadden. Hierop griste de Hindoestaanse jongen de handtassen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van tafel. Vervolgens renden de jongens gezamenlijk weg in de richting van het restaurant. Terwijl [slachtoffer 4] onmiddellijk de politie belde – zijn melding kwam om 23.36 uur bij de politie binnen – zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] achter de jongens aangerend. [slachtoffer 1] werd door één van de jongens op de grond gegooid en werd toegeschreeuwd te blijven liggen. Toen zij om hulp riep, gaf de jongen haar met zijn rechtervuist een klap tegen het hoofd. Daarna rende ook hij verder. Deze jongen en de Hindoestaanse jongen met de tassen zijn de IJweg overgestoken en ter hoogte van Kemperhof de nabijgelegen wijk in gerend. Uit de verklaringen van de vier vrienden komt als eenduidig beeld van de Hindoestaanse jongen naar voren dat hij ongeveer 18 of 19 jaar oud en ongeveer 175 tot 180 centimeter lang was, een slank postuur en een opvallend grote neus had en een blauwe spijkerbroek droeg. Hij had half lang, naar achter gekamd golvend zwart haar dat hij droeg tot in de nek. Van de jongen die ‘de leiding had’ [het hof begrijpt: het woord voerde] komt uit die verklaringen als eenduidig beeld naar voren dat hij dat hij ongeveer 18 jaar oud is ongeveer 175 centimeter lang was, een negroïde uiterlijk, een slank postuur en gemillimeterd haar had en een sweater of een vest droeg. Getuige [getuige] bevond zich rond het tijdstip van de beroving op het Belvedere te Hoofddorp om haar hond uit te laten. Daar zag zij dat er zes (licht)getinte jongens uit de richting van de Toolenburgerplas kwamen gerend en wel over de brug bij het Lingenhof, een straat die parallel loopt aan het Kemperhof. Eén van de jongens had een rode jas aan. Twee jongens hielden [naar het hof begrijpt: elk] een tas vast. Zij hielden de tassen ondersteboven, zodat de inhoud uit de tas viel. De jongens pakten iets uit de tassen en staken dat in hun jaszakken. Vervolgens renden alle jongens weg in de richting van de Nieuwe Molenaarslaan, de tassen achterlatend. Dit bleken de tassen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te zijn. Hieruit trekt het hof de conclusie dat [getuige] de groep daders van de beroving heeft gezien. De portemonnee van [slachtoffer 1] is teruggevonden in een put aan de Stanislas. De Stanislas is een straat die in (Zuidoostelijke richting) uitkomt op het Belvedere en in Noordwestelijke richting via het Campo uitmondt in de Nieuwe Molenaarslaan. Een andere getuige trof die nacht omstreeks 00.15 uur bij de Montessorischool op de Waddenweg [het hof begrijpt: de in het verlengde van de Waddenweg lopende Deltaweg] een groep van 9 jongens aan. Eén van de jongens droeg een sportief rood jack en bijna alle jongens droegen petjes of mutsjes. De getuige belde de politie. Vervolgens is een kleinere groep [het hof begrijpt: een gedeelte van de groep van 9 jongens] de wijk in gelopen. Kort hierop heeft deze getuige de door hem bedoelde jongens aangezien in de voortuin van [adres 2]. De ter plaatse gekomen politieambtenaren D.C. de Kloe en R.H. van de Kamp hebben de jongens die zich in de voortuin bevonden kort na 00.50 uur staande gehouden. Het betroffen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en de verdachte. [medeverdachte 4], die een donkere huidskleur heeft, op dat moment ruim 17 jaar oud was en van Somalische komaf is, droeg een rood glimmend trainingsjasje/vestje en een pet. [medeverdachte 2], die naar inschatting van de politieambtenaren een Marokkaans/Turks uiterlijk had, droeg een vest met een capuchon. [medeverdachte 3], die naar inschatting van de politieambtenaren eveneens een Marokkaans/Turks uiterlijk had, droeg een vest met een petje met klep. [medeverdachte 1] heeft een getinte huidskleur. De politieambtenaren hebben bij de staandehouding van de verdachte waargenomen dat hij half lang zwart haar, door hen getypeerd als ‘matje’, had en een lichtblauwe spijkerbroek droeg. Verder is van de verdachte – toen 18 jaar oud – bekend dat hij van Surinaams-Hindoestaanse afkomst is en dat een grote neus heeft. De verdachte heeft verklaard hij in augustus 2015 geen lang, maar kort haar had en dat hij dat met behulp van een filmpje kan aantonen (p. 120-121). Het hof heeft echter geen reden om aan de inhoud van het ambtsedige proces-verbaal van De Kloe en Van de Kamp te twijfelen, te minder omdat dat de verdachte het beeldmateriaal waarover hij zegt te beschikken in geen enkel stadium van de strafprocedure heeft overgelegd. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof geconstateerd dat op een op 15 december 2015 van de verdachte vervaardigde foto te zien is dat hij zijn haar aan de achterzijde van het hoofd lang tot in de nek draagt en is van oordeel dat een dergelijk kapsel de typering ‘matje’ goed kan rechtvaardigen. Daarnaast is daarop te zien dat het kapsel van de verdachte als zwart, halflang en (deels) naar achteren gekamd kan worden bestempeld. Kortom, voor het hof staat vast dat de verdachte ten tijde van zijn staandehouding geheel voldeed aan het eenduidig beeld dat de beroofde vrienden van de uiterlijke kenmerken van de Hindoestaanse dader hebben gegeven. Dit laadt een sterke verdenking op de verdachte, in die zin dat hij de persoon is geweest die de handtassen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft weggenomen. Op zichzelf staand zou dit onvoldoende zijn om met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vast te stellen dat de verdachte de Hindoestaanse dader is geweest. Echter, het hof concludeert op grond van het voorgaande tevens dat - de daders vanaf de Belvedere over de Stanislas in de richting van de Nieuwe Molenaarslaan zijn gelopen en dat die laan via Fanny Blankers-Koenlaan is verbonden met de Deltalaan, vanaf welke laatstbedoelde laan de verdachte even na 00.15 uur met vier anderen naar de Ard Schenkstraat is gelopen, alwaar hij met onder andere [medeverdachte 4] is staandegehouden; - dat één van de daders rode bovenkleding droeg en dat dit ten tijde van de staandehouding ook gold voor [medeverdachte 4] en dat die laatste bovendien in de wijk Overbos woont en voldoet aan het signalement dat door de beroofde vrienden van de ‘leider’ is gegeven; - de etnische samenstelling van de groep jongens die aan de Ard Schenkstraat zijn staandegehouden in de pas loopt met de die van de daders en dat verschillende jongens van die eerste groep over een capuchon beschikten of een petje droegen, net als verschillende daders. Daarbij komt het volgende. Op 9 december 2015 om 6.20 uur is [medeverdachte 3] aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de onderhavige beroving. Hierop heeft zijn zus om 10.13 uur gebeld naar [medeverdachte 4] en aan hem de boodschap overgebracht dat haar broer die ochtend was meegenomen door de politie en dat dit te maken had met iets wat in augustus ‘in de Toolenburg’ bij een meertje was gebeurd met een meisje en een tas. Zij vertelde [medeverdachte 4] dat haar broer haar had gevraagd om [medeverdachte 4] te bellen en dat laatstgenoemde moest oppassen en dat het kon zijn dat ‘ze’ [het hof begrijpt de politie] hem ook zouden meenemen. [broer] heeft [medeverdachte 4] vervolgens met [medeverdachte 1] gebeld en hem verteld dat [medeverdachte 3] net ‘geklemd’ was en uit zijn bed was getrokken door de iba [het hof: de politie]. Toen [medeverdachte 1] hierop vroeg: “Voor wat nu weer”, antwoordde [medeverdachte 4]: “Je weet toch, bij meertje, die ding met Kulie (fonetisch), in de zomervakantie”. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is het niet slechts een [naar het hof begrijpt: ongefundeerde] aanname dat in dit laatste telefoongesprek met ‘Koelie’ de verdachte werd bedoeld. Immers, vast staat dat de verdachte – zeer tegen zijn zin – ‘Koelie’ wordt genoemd en bij [medeverdachte 4] op school zit en regelmatig met hem afspreekt. Het moge zo zijn, zoals de verdachte heeft verklaard, dat andere personen van Hindoestaanse komaf ook geregeld ‘Koelie’ worden genoemd, maar aangevoerd noch aannemelijk geworden is dat zich in de kring van (school)vrienden en bekenden van [medeverdachte 4] een ander Hindoestaans persoon bevond waarop hij kan hebben gedoeld. Bovendien wordt in het telefoongesprek niet gesproken van ‘een Kulie’ maar over ‘Kulie’, hetgeen er naar het oordeel van het hof op duidt dat er een bijnaam werd gebruikt. Tot slot wordt bij dit alles betrokken dat het bij de verdachte in gebruik zijnde mobiele telefoonnummer de bewuste nacht om 23.03 uur een zendmast van KPN heeft aangestraald die is geplaatst aan de Noordoostzijde van de Toolenburgerplas en waarvan het dekkingsgebied de locatie van beroving omvat. Het telefoontoestel dat bij [medeverdachte 4] in gebruik was heeft om 22.46 uur en 23.26 een zendmast van T-Mobile aangestraald aan de Zuidoostzijde van de plas; [bedrijf] ligt in het dekkingsgebied van die mast. Verder bevindt [bedrijf] zich in de directe omgeving van het dekkingsgebied van een zendmast van Vodafone die door het telefoontoestel dat in gebruik was bij [medeverdachte 3] om 22.53 uur is aangestraald. Zoals de raadsvrouw heeft aangestipt en het hof bekend is, kan uit de omstandigheid dat een telefoontoestel een bepaalde zendmast heeft aangestraald niet altijd gevoeglijk de conclusie worden getrokken dat de gebruiker van het toestel zich in de onmiddellijke omgeving van die mast heeft bevonden, omdat een telefoontoestel zich voor de totstandkoming van telecommunicatie soms meldt bij een andere dan de meest nabij gelegen mast, bijvoorbeeld vanwege de signaalsterkte. In dit geval kent het hof – zij het slechts in ondersteunde zin – toch bewijzende betekenis aan genoemde zendmastgegevens toe, omdat het hof de gegevens van de drie toestellen van de drie gebruikers in onderling verband beziet én tegen de achtergrond van de omstandigheid dat die gebruikers later die nacht (ook weer) gezamenlijk zijn aangetroffen. Bovendien heeft [medeverdachte 3] verklaard dat het mogelijk is dat zijn telefoon op 4 augustus 2015 in de omgeving van de Tolenburgerplas is geweest en hij rond 22.00 in de buurt van die plas is geweest. Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, staat voor het hof vast dat de verdachte op 4 augustus 2015 bij de Toolenburgerplas in Hoofddorp betrokken is geweest bij de beroving van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en wel als de persoon die hun handtassen heeft weggenomen. Hetgeen door de verdediging verder te berde is gebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Hieruit spreekt ook dat het hof de verklaring van verdachte dat hij ten tijde van de beroving (met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]) voetbal heeft gekeken bij [naam] of ‘misschien’ in het centrum is geweest om boodschappen te doen, als niet aannemelijk geworden terzijde schuift. Met betrekking tot de eerste variant neemt het hof nog in aanmerking dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.