GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 16/00545 11 december 2018 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [naam] , te [woonplaats] , belanghebbende, tegen de uitspraak van 27 oktober 2016 in de zaak met kenmerk HAA 15/5828 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Bloemendaal, de heffingsambtenaar. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) genomen beschikking met dagtekening 28 februari 2015 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (hierna: de woning) voor het jaar 2015 vastgesteld op € 1.356.000 (hierna: de WOZ-waarde). Tegelijk met deze beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang - de aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) voor het jaar 2015 bekendgemaakt. 1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 20 november 2015 de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij de uitspraak van 27 oktober 2016 het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft op 6 december 2016 tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft bij faxbericht van 15 november 2018 nadere stukken ingediend. De nadere stukken zijn in kopie aan de heffingsambtenaar gezonden. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2018. Belanghebbende is aldaar verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen mr. E. Brouwer, bijgestaan door [naam taxateur] (taxateur). Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. 2Feiten 2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak - waarin belanghebbende en de heffingsambtenaar zijn aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘de heffingsambtenaar’ - de volgende feiten vastgesteld. “1. Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. 2. De woning is een twee-onder-één-kapwoning met garage, carport en dakkapel. De inhoud van de woning is ongeveer 860 m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 2.715 m².” 2.2. Het Hof gaat uit van dezelfde feiten, en vult ze verder als volgt aan. 2.3. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de WOZ-waarde mede aansluiting gezocht bij (verkoop)gegevens van drie objecten, te weten, [object 1] , [object 2] en [object 3] , alle gelegen in [plaats] (hierna tezamen: de vergelijkingsobjecten). Tot de gedingstukken behoort een Waarderapport van taxateur [naam taxateur] d.d. 29 februari 2016. De getaxeerde waarde bedraagt op 1 januari 2014 (de waardepeildatum) € 1.402.000. Bij het rapport behoort een ‘Waardeopbouw’ (matrix) met daarin onder andere (verkoop)gegevens van de woning en de vergelijkingsobjecten. De Waardeopbouw vermeldt onder andere object-specifieke kenmerken, verkoopdata, verkoopprijzen en (herleide) kubiekemeterprijzen. 2.4. Belanghebbende heeft in hoger beroep verkoopbrochures overgelegd betreffende de vergelijkingsobjecten (en heeft daarbij ook verwezen naar op youtube.com te raadplegen beeldmateriaal). 2.5. Over de jaren 2009 tot en met 2013 hebben belanghebbende en de heffingsambtenaar over de waarde van de woning een compromis gesloten. Dit compromis is vastgelegd in een uitspraak van het Hof van 8 juli 2014 (nrs. 12/00525, 12/00526 en 13/00632). Op grond van dit compromis is de waarde van de woning voor de genoemde jaren als volgt vastgesteld: 2009 € 1.585.000 2010 € 1.560.000 2011 € 1.535.000 2012 € 1.500.000 2013 € 1.400.000 2.6. Het Hof heeft bij uitspraak van 9 februari 2017, nr. 15/00843 (ECLI:NL:GHAMS: 2017:426) beslist over de voor de woning voor het jaar 2014 (na bezwaar) vastgestelde WOZ-waarde (€ 1.377.000). Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak cassatie bij de Hoge Raad ingesteld. Bij brief van 8 juli 2017 heeft belanghebbende het Hof verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak, welke was gepland op 24 augustus 2017. Hij schrijft daartoe onder andere het volgende: “De reden van dit verzoek om uitstel, is de behandeling van het beroep in cassatie, door mij ingesteld voor de WOZ jaar 2014. (…) Uiteraard wil ik niet de pretentie hebben om ook maar op enig punt in het gelijk te worden gesteld, maar er zijn wel een aantal principiële punten naar voren gebracht, die ook van toepassing zullen zijn op het beroep bij uw hof voor de [onderhavige] zaak WOZ 2015.” De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 juli 2018, nr. 17/01429, ECLI:NL:HR:2018:1187, bovengenoemd beroep in cassatie ongegrond verklaard. 3Geschil in hoger beroep 3.1. In hoger beroep is uitsluitend nog in geschil of de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2014 van de woning te hoog is vastgesteld. 3.2. Belanghebbende bepleit een WOZ-waarde van tussen € 1.250.000 en € 1.300.000. 3.3. De heffingsambtenaar verdedigt – onder verwijzing naar de in 2.3 genoemde vergelijkingsobjecten – de door hem vastgestelde WOZ-waarde (€ 1.356.000). 4Beoordeling van het geschil 4.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. 4.2. Op de heffingsambtenaar rust de last – in het licht van wat belanghebbende aanvoert – aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank heeft hieromtrent als volgt overwogen en beslist: “11. Met het door hem overgelegde waarderapport heeft verweerder aan die op hem rustende bewijslast voldaan, nu de daarin genoemde vergelijkingsobjecten kort vóór of na de waardepeildatum zijn verkocht en wat type, ligging en omvang betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De vergelijkingsobjecten liggen alle in de directe nabijheid van de woning en zijn van hetzelfde type en dezelfde bouwperiode (eind 19e en begin 20e eeuw). De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dan ook dienen ter onderbouwing van de waarde van de woning. Verder is aannemelijk dat verweerder in voldoende mate rekening gehouden heeft met verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, zoals verschillen in inhoud, perceelgrootte en objectkenmerken, zoals kwaliteit/luxe, onderhoudstoestand, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging. Dit volgt uit de bijlage bij het waarderapport en de daarop ter zitting gegeven toelichting. Anders dan eiser heeft gesteld, acht de rechtbank de gegeven onderbouwing dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, voldoende inzichtelijk. De indexatie van de transactieprijzen heeft terecht plaatsgevonden vanaf de koopdata en acht de rechtbank, gezien de onbestreden gestelde dalende marktontwikkelingen rond de waardepeildatum, redelijk. 12.1. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd doet daaraan niet af. Met betrekking tot de door eiser aangedragen grieven overweegt de rechtbank het volgende. 12.2. Eiser heeft in zijn beroepschrift verwezen naar een tweetal in 2013 in zijn opdracht opgemaakte waarderapporten met betrekking tot de waarde van de woning. Eiser heeft deze rapporten echter niet in geding gebracht, zodat aan die rapporten geen betekenis kan worden toegekend. De grief faalt dus door gebrek aan onderbouwing. 12.3. Eiser heeft voorts - zakelijk weergegeven – aangevoerd dat binnen het beschermde dorpsgezicht “ [naam locatie] ”, waar de woning deel van uitmaakt, de laatste vijf jaar slechts één woning is verkocht voor een prijs die overeenkomt met de voor die woning vastgestelde WOZ-waarde. De WOZ-waarde van een woning wordt echter uitsluitend vastgesteld aan de hand van de gerealiseerde prijzen van rond de waardepeildatum verkochte vergelijkbare woningen. Waarderingen op grond van de Wet WOZ van andere woningen dan de onderhavige of andere peildata vormen in beginsel geen juist aanknopingspunt voor een waardering. De juistheid van WOZ-waarderingen van andere woningen is ook niet in geschil. WOZ-waarden van andere woningen kunnen wel van belang zijn, indien daaruit volgt dat, zoals eiser stelt, verweerder die stelselmatig te hoog waardeert, zodat om die reden ook de onderhavige waardering te hoog is. Hetgeen eiser daarover heeft aangevoerd is echter onvoldoende om dit aan te nemen. In het beroepschrift heeft eiser slechts woningen genoemd, waarvoor er verschillen zouden zijn tussen de verkoopprijzen en de vastgestelde WOZ-waarden. Een cijfermatige onderbouwing ontbreekt echter. Het in de pleitnota genoemde is onvoldoende reeds gelet op het in 9 overwogene. De overgelegde ingezonden brief van een andere bewoner beschouwt de rechtbank als een mening hierover en geen feit. De verkoop van de door eiser genoemde woning [object 4] betrof een gedwongen verkoop op een executieveiling en dient ook om die reden buiten beschouwing te blijven. Daarnaast lijkt een (groot) verschil te bestaan tussen de waardepeildata van de door eiser gestelde WOZ-waardes en de data van de gestelde gerealiseerde verkoopprijzen. Verder heeft, ook los van het in 9 overwogene, voor zover eiser in zijn betoog woningen heeft genoemd die wel verkocht zijn te gelden dat die verkopen hebben plaatsgevonden na 1 januari 2015 en derhalve te ver van de waardepeildatum, of eiser geen verkoopdata heeft genoemd. Deze verkopen dienen dan ook buiten beschouwing te worden gelaten. 12.4. Voorts heeft eiser betoogd dat sprake is van een aantal waardedrukkende omstandigheden waaraan door verweerder bij de waardering voorbij is gegaan. In dit verband heeft hij gerefereerd aan een nabijgelegen zendmast, het rijgedrag in de onmiddellijke omgeving van de woning en de ongunstige indeling van de woning. Over de zendmast heeft de rechtbank in een uitspraak van 4 november 2015 (zaaknummer HAA 14/5259) in het kader van een beroep van eiser tegen de voor het belastingjaar 2014 vastgestelde WOZ-waarde van de woning overwogen dat verweerder met die waardedruk voldoende rekening heeft gehouden door de ligging van de woning met een 3 te waarderen, terwijl de overige in [naam locatie] gelegen woningen voor wat betreft ligging met een 4 zijn gewaardeerd. Deze wijze van waarderen van de ligging van de woning is ook in het belastingjaar 2015 gevolgd, met uitzondering van de woning [object 3] te [plaats] waarbij de ligging ook met een 3 is gewaardeerd. De onjuistheid daarvan is door eiser niet aannemelijk gemaakt. In de uitspraak van 4 november 2015 is eveneens voorbij gegaan aan eisers stelling dat in de straat waarin de woning is gelegen vaak te hard wordt gereden, omdat deze stelling door hem niet is onderbouwd. Nu eiser ook in deze heeft volstaan met dezelfde blote stelling over de hinder die hij ondervindt van hardrijdend verkeer kan ook daarin geen aanleiding worden gevonden voor het aannemen van waardedruk. In verband met de ongunstige indeling van de woning heeft verweerder evanals in 2014 de doelmatigheid van de woning met een 2 gewaardeerd, hetgeen leidt tot een afwaardering van de waarde van de opstal met meer dan 5%. Dat daarmee onvoldoende recht wordt gedaan aan de feitelijke situatie is door eiser niet aannemelijk gemaakt. 13. Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep tegen de waardebeschikking is daarom ongegrond.” 4.3. Het Hof komt - met inachtneming van het hiernavolgende - tot hetzelfde oordeel als de rechtbank. Mede naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep nog door partijen naar voren is gebracht, overweegt het Hof hierover als volgt. 4.4. In hoger beroep voert belanghebbende de volgende klachten aan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.