afdeling strafrecht parketnummer: 23-001949-18 datum uitspraak: 15 november 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13‑741223-17 en 13-152324-16 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op 29 september 2001, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straffen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Daarnaast is door de kinderrechter geen beslissing genomen ten aanzien van de kosten van de benadeelde partij [slachtoffer], zodat het hof het vonnis op dit punt zal aanvullen. Oplegging van straffen Vonnis van de kinderrechter en standpunten van partijen De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 30 dagen, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door een coach van de Intensieve Forensische Aanpak (IFA) en schoolgang en stage volgens rooster. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 30 dagen zonder bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte geen bijzondere voorwaarden worden opgelegd en heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van het hof. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een tas en schuldheling van een bromfiets. Hij heeft daarmee aangetoond geen respect te hebben voor het eigendom van anderen. Door dit soort feiten wordt schade en hinder veroorzaakt bij de gedupeerden. Het slachtoffer van de diefstal heeft aangegeven dat zij veel last heeft gehad door het gebeurde. De verdachte en zijn medeverdachte hebben de tas van de fiets afgerukt, waardoor het slachtoffer bijna ten val was gekomen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 oktober 2018 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld. Het hof weegt dat in het nadeel van de verdachte mee. Ter zitting is gebleken dat de verdachte het goed doet op school. Hij heeft zijn stage positief afgerond en heeft een bijbaan. Hij heeft een positief steunend netwerk van familieleden. De deskundigen van de Jeugdbescherming Regio Amsterdam en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zien daarom geen meerwaarde in begeleiding door de reclassering of oplegging van bijzondere voorwaarden. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke werkstraf. De verdachte heeft ter terechtzitting stellig meegedeeld dat hij geen werkstraf wil volbrengen, maar wel een onvoorwaardelijke jeugddetentie. De reden dat de verdachte liever een vrijheidsstraf wil, is kennelijk dat hij deze zaak snel achter zich wil laten, de straf daarom snel wil afronden en in de veronderstelling is dat de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen sneller verloopt. Dat is echter geen reden om aan de verdachte een dergelijke straf op te leggen. Daarnaast is het hof ambtshalve bekend dat werkstraffen – anders dan de verdachte kennelijk denkt – doorgaans sneller te realiseren zijn dan vrijheidsbenemende straffen. De deskundigen achten een werkstraf bovendien meer in het belang van de verdachte. Het hof zal de verdachte daarom een werkstraf opleggen. Om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal het hof daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Gelet op de positieve ontwikkeling van de verdachte acht het hof het niet noodzakelijk om daarbij bijzondere voorwaarden op te leggen. Het hof acht, alles afwegende, een werkstraf en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie zoals door de advocaat-generaal gevorderd passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 129,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.