afdeling strafrecht parketnummer: 23-003773-17 datum uitspraak: 27 december 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-710326-15 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1], adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2018, 13 december 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een aanvulling op een bewijsmiddel en een aanvullende bewijsoverweging opneemt. Aanvulling op een bewijsmiddel Het hof vult het eerste bewijsmiddel van de rechtbank in die zin aan dat waar in het vonnis staat: ‘Proces-verbaal van aangifte met nummer [nummer] van 17 september 2014 inhoudende de verklaring van [slachtoffer]’ komt te staan: ‘Proces-verbaal van aangifte met nummer [nummer] van 17 september 2014 inhoudende de verklaring van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2]’. Aanvullende bewijsoverweging Het hof overweegt in aanvulling op de bewijsoverweging van de rechtbank, zoals weergegeven onder 5.4 op p. 7-8 van het vonnis, nog het volgende. Betrouwbaarheid van de verklaringen De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi naar voren gebracht dat de verklaringen van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn. Er is, aldus de raadsvrouw, geen sprake van een ‘spontane onthulling’ en geen sprake van een eigen beslissing van de aangeefster om naar de politie te gaan. Er is sprake van ‘oude’ jeugdherinneringen die door tijdsverloop een andere kleur kunnen hebben gekregen tegen de achtergrond van complexe familieverhoudingen. Deze omstandigheden, die ook al deels in eerste aanleg naar voren zijn gebracht, doen naar het oordeel van het hof niet af aan het gemotiveerde oordeel van de rechtbank dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn. Het hof acht, met de rechtbank, op de door de rechtbank uiteengezette gronden de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar. Hetzelfde geldt voor de verklaringen die de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben afgelegd. Daarbij betrekt het hof dat de door voornoemde [getuige 1] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen in hoofdlijnen overeenstemmen met de eerder door hen bij de politie afgelegde verklaringen. Ontuchtig karakter De raadsvrouw heeft – zoals weergegeven in haar pleitnota – uiterst subsidiair bepleit dat een alternatieve mogelijkheid, dat sprake was van seksueel experimenteergedrag tussen kinderen waardoor het ontuchtige karakter aan de seksuele handelingen ontbreekt, niet kan worden uitgesloten. Het hof merkt daarover op dat de door de raadsvrouw opgeworpen mogelijkheid door de verdachte zelf niet wordt onderschreven. De verdachte ontkent immers dat seksuele handelingen tussen hem en zijn zus hebben plaatsgevonden. Voorts verenigt het hof zich op grond van de bewijsmiddelen met het oordeel van de rechtbank dat de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangeefster in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en daarom als ontuchtige handelingen moeten worden aangemerkt, zeker in de context, zoals geschetst in het vonnis waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Oplegging van straf Vonnis van de rechtbank en standpunten van partijen De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde en hem voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van drie maanden en een werkstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen jeugddetentie. De raadsvrouw heeft, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf. Oordeel van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich langdurig schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn jongere zus van destijds tussen de dertien en vijftien jaar oud. Dit vond plaats in de beslotenheid van de woning waar zij woonden. De verdachte heeft hiermee ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn zusje. Het misbruik heeft voor het slachtoffer, zo blijkt uit haar slachtofferverklaring, grote psychische gevolgen gehad. Zij heeft aangegeven moeite te hebben met het vertrouwen van partners en vrienden en heeft lang weinig zelfvertrouwen gehad. Deze schade heeft zij weliswaar deels via een lang proces weten te helen, maar zal mogelijk de rest van haar leven voelbaar blijven. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 november 2018 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Sinds het strafbare feit zijn ruim veertien jaar verstreken. In die periode is de verdachte niet opnieuw met justitie in aanraking gekomen voor soortgelijke strafbare feiten. Het hof ziet daarom geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke straf, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. In beginsel acht het hof, vanwege de ernst van het feit, een werkstraf voor de duur van 150 uren passend. Het hof houdt echter ook rekening met het tijdsverloop in deze zaak en de overschrijding van de redelijke termijn. Ten aanzien van het door de rechtbank aangehaalde taakstrafverbod (artikel 247 jo. 77ma van het Wetboek van Strafrecht) merkt het hof nog op dat dit in werking is getreden op 1 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.