Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-004307-17 Datum uitspraak: 21 december 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-654013-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres]. Omvang hoger beroep Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens de akte van hoger beroep, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissingen ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde (het hof begrijpt hieruit dat het hoger beroep impliciet mede niet is gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde) en de onder 3 gegeven vrijspraak. Het hoger beroep is derhalve impliciet mede niet gericht tegen de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]. Gelet op de beperking van het hoger beroep zal het hof met betrekking tot de strafoplegging van het door de rechtbank onder 1 subsidiair bewezen verklaarde bij dit arrest toepassing gegeven aan artikel 423, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat: 2 primair:hij op of omstreeks 29 december 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een afgebroken voortand, heeft toegebracht, door (meermalen) in/tegen het gezicht, in elk geval het hoofd te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen; 2 subsidiair:hij op of omstreeks 29 december 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (meermalen) in/tegen het gezicht, in elk geval het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]; in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis. Nu het hoger beroep enkel is gericht tegen het onder 2 ten laste gelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering eerst de straf bepalen ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde misdrijf. In aanmerking genomen de ernst van het feit en de persoon van de verdachte zoals deze tijdens het onderzoek in eerste aanleg blijkens de stukken zijn vastgesteld, moet het ervoor worden gehouden dat de eerste rechter voor dit feit een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis passend en geboden heeft geacht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. De raadsvrouw heeft verzocht de door de advocaat-generaal gevorderde straf te matigen en bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met een eventueel mediation-traject dat in gang zal worden gezet. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan zware mishandeling. De verdachte is bij het slachtoffer op de rug gesprongen en heeft hem, terwijl hij op de grond lag, tegen het gezicht geslagen en/of gestompt en geschopt. Het slachtoffer heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Hij kampt tot op de dag van vandaag met ademhalingsproblemen vanwege zijn gebroken neus en heeft problemen met zijn gebit. Daarnaast heeft het incident voor aangever op psychisch vlak gevolgen gehad, zoals blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijk integriteit van aangever geschonden en bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 november 2018 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld en dient hij om die reden als first offender te worden beschouwd. Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Die hebben hun weerslag gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden genoemd. Dit neemt het hof tot uitgangspunt. Het hof zal daar echter in het voordeel van de verdachte enigszins van afwijken om reden van het volgende. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het rapport van de Reclassering Nederland van 19 september 2018 komt naar voren dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit betrokken was bij een groep (hang)jongeren waarvan hij inmiddels uitdrukkelijk afstand heeft genomen. Het leven van de verdachte is daarna gestabiliseerd: hij woont samen met zijn vriendin, volgt een HBO-opleiding, loopt stage en heeft een bijbaan. Het alcoholgebruik van de verdachte is onder controle. Voorts is het hof gebleken dat de verdachte wenst deel te nemen aan een mediation-traject met het slachtoffer. Dit traject is in gang gezet. Gelet op het voorgaande zal het hof volstaan met het opleggen van een taakstraf van na te noemen duur. Naar het oordeel van het hof wordt met deze uitkomst een evenwichtige balans gevonden tussen de strafdoelen van normbevestiging en generale preventie enerzijds en die van de speciale preventie anderzijds. Aan dit laatste strafdoel kan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die in eerste aanleg is opgelegd onvoldoende bijdragen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.888,93, bestaande uit € 888,93 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr. Ter terechtzitting van 22 november 2017 is de vordering ten aanzien van de materiële schade gematigd tot een bedrag van € 747,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.