Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002678-18 Datum uitspraak: 13 december 2018 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 juli 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-107194-15 tegen: [slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 december
- Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 6 november 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Vrijspraak De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, nu niet met voldoende zekerheid, voorbij redelijke twijfel, kan worden vastgesteld dat het hier “een materiaal bevattende cocaïne” betrof. Weliswaar is voor een juridisch toereikende vaststelling van de aard van het (Opiumwet)middel niet onder alle omstandigheden een laboratoriumtest vereist (vgl. PHR:2010:BL8682), maar in dit geval ontbreekt, naast een door de politie verrichte indicatieve test, voor die vaststelling enig bewijs. Naar het oordeel van het hof vormt (enkel) de uitslag van die indicatieve test ontoereikend bewijs voor een bewezenverklaring in de hiervoor bedoelde zin, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 10 augustus 2015 onder CJIB nummer [nummer]. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van mr. A. Stronkhorst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 december
- mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A. Stronkhorst zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.