afdeling strafrecht parketnummer: 23-004257-17 datum uitspraak: 10 december 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2017 in de strafzaak onder de parketnummers 15-172525-17 en 10-122934-16 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 16 juni 2017 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) een kopstoot tegen/op de neus, althans het gezicht, te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus ten gevolge heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de straf tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 16 juni 2017 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot op de neus te geven. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Aangezien de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit, zal op de voet van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de navolgende opgave van de bewijsmiddelen: 1. De (bekennende) verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 november 2017; 2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2017124010-1 van 22 juni 2017, opgemaakt in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (doorgenummerde pagina’s 1-3), houdende de tegenover voornoemde verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer] ; 3. Een geschrift, te weten een verslag van het Spaarne Gasthuis van 16 juni 2017, opgemaakt door [arts] , SEH arts KNMG (doorgenummerde pagina 4). Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft verzocht de verdachte enkel een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis op te leggen. De voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken die door de advocaat-generaal wordt gevorderd, dient geen strafrechtelijk doel meer, nu de verdachte aan haar problemen heeft gewerkt en de behandeling bij De Waag goed heeft afgerond. De verdachte is een alleenstaande moeder en heeft de zorg voor haar twee kinderen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich, in een Blijf van mijn Lijf huis alwaar zij met het slachtoffer verbleef, schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer een kopstoot te geven. Het slachtoffer heeft als gevolg daarvan haar neus gebroken, waarvoor zij een operatie heeft moeten ondergaan. Het slachtoffer heeft in de periode na de mishandeling pijn en ongemak ondervonden. Dusdoende heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Het hof rekent dit de verdachte aan. In verdachtes nadeel speelt ook een rol dat zij niet (overtuigend) blijk heeft gegeven van medeleven richting het slachtoffer. Het hof heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van 5 november 2018 van Reclassering Nederland. Uit voornoemd advies komt het volgende naar voren. De agressieve impulsdoorbraak van de verdachte is als gevolg van de behandeling verkleind. Een risicofactor blijft het emotioneel welzijn van de verdachte, waarbij zij zich als jonge alleenstaande moeder moet zien te redden met een beperkt financieel budget en een agressieve ex-partner die, omdat zij samen twee kinderen hebben, in haar leven zal blijven. Beschermende factoren zijn haar moeder en zussen. Daarbij heeft de verdachte stabiele huisvesting en heeft zij de behandeling bij De Waag goed afgerond, waardoor zij weet wat zij moet doen wanneer zij gevoelens van boosheid bij zichzelf herkent. De verdachte is in staat te reflecteren op haar gedrag en handelen en toont inzicht in haar functioneren. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 november 2018 is zij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van geweldsdelicten, hetgeen in haar nadeel werkt. Het hof heeft gelet op de straf die pleegt te worden opgelegd bij mishandeling door een kopstoot met enig lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een taakstraf voor de duur van 120 uren genoemd. Gelet op het bepaalde in artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is oplegging van enkel een onvoorwaardelijke taakstraf, dan wel in combinatie met een voorwaardelijke straf thans uitgesloten. Op grond van het voorgaande en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, waarvan 13 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.035,66, bestaande uit de volgende kostenposten: tandartskosten € 151,05 begroting tandarts € 884,61 immateriële schade € 1.000,00 De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 401,05, bestaande uit kostenpost
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.