afdeling strafrecht parketnummer: 23-003779-17 datum uitspraak: 15 juni 2018 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-702315-17 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof het verweer van de raadsman gevoerd in hoger beroep ten aanzien van de benadeelde partij zal bespreken en de op te leggen straf zal motiveren. Oplegging van straffen en maatregel De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest en met oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een vrouw met wie hij een woordenwisseling kreeg over het niet verlenen van voorrang in het verkeer. De verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen geslagen en geschopt. De verdachte heeft hierdoor een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn en letsel toegebracht. Het feit dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in het verkeer op de openbare weg, rekent het hof de verdachte zwaar aan. Dit soort geweld roept niet alleen bij het slachtoffer gevoelens van onveiligheid en angst op maar ook bij betrokkenen die er getuigen van zijn. Het hof neemt in ogenschouw de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS), op grond waarvan voor dergelijke feiten een geldboete van € 750 in beginsel gerechtvaardigd is. Gelet op de beperkte draagkracht van de verdachte acht het hof een geldboete echter niet op zijn plaats. Door de raadsman van de verdachte is gesteld dat de verdachte vanwege medische redenen niet in staat is een taakstraf uit te voeren maar dit standpunt is desgevraagd niet met stukken onderbouwd. Het hof kan dan ook niet vaststellen dat de verdachte niet in staat is een taakstraf uit te voeren. Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een taakstraf passend en geboden. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 mei 2018 eerder ter zake van een geweldsmisdrijf onherroepelijk is veroordeeld, maar dat dit een relatief oud en een enkel feit betreft. Het hof vindt het daarnaast in dit geval op zijn plaats een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen. De bewezenverklaarde gedragingen getuigen van een kort lontje bij de verdachte en rechtvaardigen een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur. Het hof ziet – anders dan de rechtbank – geen aanleiding tot het opleggen van bijzondere voorwaarden nu door de reclassering dit niet is geadviseerd en ook niet anderszins noodzakelijk is gebleken. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.021,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.