Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-003458-16 Datum uitspraak: 1 juni 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 81-036062-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 mei 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1:hij, als scheepsbeheerder, op of omstreeks 19 mei 2015, in elk geval in mei 2015, op de Noordzee, het onder Nederlandse vlag varende visserschip genaamd [schip] , - heeft bemand met minder bemanningsleden dan was aangegeven in het bemanningscertificaat en/of - zodanig heeft bemand dat niet ten minste de op het bemanningscertificaat aangegeven functies werden vervuld door tot het vervullen van die functies bevoegde bemanningsleden immers, - was dat schip bemand met 2 bemanningsleden, terwijl het bemanningscertificaat 3 bemanningsleden voorschreef en/of - werd de functie van substitute skipper in het geheel niet vervuld. 2:hij, op of omstreeks 19 mei 2015, in elk geval in mei 2015, op de Noordzee, als kapitein van het onder Nederlandse vlag varende visserschip genaamd [schip] , opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 51 lid 2 Wet zeevarenden, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan door [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , (beiden) toezichthouder bij de Inspectie Leefbaarheid en Transport, zijnde (beiden) een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast immers heeft hij, verdachte, nadat genoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] hem (mondeling en/of schriftelijk) had(den) gevorderd dat schip uiterlijk voor dinsdag 19 mei 2015, om 17.00 uur te brengen naar de haven van Laurensoog, niet aan genoemde vordering voldaan. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de economische politierechter. Vrijspraak feit 2 De verdachte heeft steeds betwist dat van hem gevorderd is dat hij zijn schip naar een haven zou brengen. Er is geen aanwijzing dat de schriftelijke vordering, die zich in het dossier bevindt, aan de verdachte is uitgereikt. Evenmin is gebleken dat de vordering mondeling aan de verdachte is gedaan en dat hij er hierbij op is gewezen dat hij bij het negeren van de vordering een misdrijf zou begaan. Tot slot klopt de naam van de haven waarheen hij zich volgens de schriftelijke vordering moest begeven niet en is wel genoteerd op welke tijd de verdachte in die haven binnen zou moeten zijn, maar niet op welke dag. Al met al is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsmotivering Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, dan wel dat de zaak moet worden aangehouden om een deskundige te horen over de functie van stuurman in vergelijking met de functie van de substitute skipper. Er waren die dag vier mensen aan boord, de verdachte in de functie van skipper, zijn vaste opvarende [naam] , die in het bezit is van het diploma SVII, en twee ervaren zeelui, die werkzaam zijn bij [bedrijf] . Met het diploma SVII kan men in aanmerking komen voor het vaarbevoegdheidsbewijs ‘substitute skipper’ en [naam] heeft dat op 14 december 2015 ook verkregen. De verdachte had derhalve voldoende mensen aan boord en zij vervulden ook de vereiste functies. Het hof overweegt als volgt. Uit het ‘minimum safe manning document’ dat ziet op het schip van de verdachte (bijlage 2 bij het proces-verbaal) volgt dat er minimaal drie mensen aan boord moeten zijn met de functies van ‘skipper’, ‘substitute skipper’ en ‘rating’. De verdachte is ‘skipper’. [naam] beschikte niet over de kwalificatie ‘substitute skipper’. Hij heeft deze immers pas op 14 december 2015 verkregen. Dat hij het diploma SVII had en “geblinddoekt zonder brokken naar Engeland (kan) varen”, zoals de raadsman van andere vissers heeft vernomen, doet hieraan niet af. Het voorwaardelijke verzoek van de raadsman om een deskundige te horen wordt afgewezen, nu dit niet tot een andere conclusie zou kunnen leiden. Dat er te weinig bemanningsleden aan boord waren, is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan. De door twee ambtenaren bij de Inspectie Leefomgeving en Transport/Scheepvaart – Handhaving Zeevaart, opgemaakte aangifte vermeldt dat alleen de verdachte en “1 ander persoon” aan boord waren. In het als bijlage 8 bij die aangifte gevoegde Meld/controleformulier bemanningsvoorschriften hebben dezelfde ambtenaren op de vraag “f. Zijn er voldoende overige gezellen aan boord, zodat wordt voldaan aan de minimale eisen van het BC?“ echter het antwoord “ja” aangevinkt. De raadsman heeft ter terechtzitting een e-mail overgelegd van [bedrijf] , waarin namens deze organisatie wordt bevestigd dat twee functionarissen van die organisatie aan boord waren, waarvan één met het diploma SW
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.