← Nederland

ECLI:NL:GHAMS:2018:5236

Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-002535-17 Datum uitspraak: 20 februari 2018 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-689222-16 tegen [verdachte] , geboren te [geboortedatum] op [geboortedag 1] 1981, adres: [adres]. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 23 januari 2016, althans in of omstreeks de periode van 25 december 2015 tot en met 8 april 2016 te Aalsmeer en/of te Amsterdam, althans in Nederland, met [benadeelde], geboren op [geboortedag 2] 2000, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten van de borsten van voornoemde [benadeelde]. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, om proceseconomische redenen. Bewijsoverweging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat de niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en hij moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De verdachte ontkent dat hij de borsten van [benadeelde] op ontuchtige wijze als bedoeld in de tenlastelegging heeft betast. Verder wordt de verklaring van de benadeelde partij niet onderbouwd door enig ander bewijsmiddel, aldus de raadsvrouw. Het hof overweegt als volgt. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verklaring van [benadeelde] inhoudende dat de verdachte haar borst heeft aangeraakt voldoende steun vindt in de overige te bezigen bewijsmiddelen. Niet alleen wijzen de voor de bewezenverklaring te bezigen app-berichten die zijn verzonden rond de datum en het tijdstip waarover het slachtoffer spreekt, op een seksueel getinte aandacht voor het slachtoffer en heeft hij bericht: “ik ga door”. Maar ook heeft hij enkele dagen daarna aan haar geappt: “vond je het fijn dat ik je knopen open deed” hetgeen een concrete ondersteuning voor de verklaring van het slachtoffer vormt. Dat, als aangevoerd door de raadsvrouw, ook het slachtoffer wel eens toenadering tot de verdachte zou hebben gezocht via app berichten doet aan het voorgaande niet af, nog daargelaten dat zij in de nacht van het incident liet weten: “maar wil ni”, “nee, ik wil nie” “nee” “nee” “nee”. Het ontuchtige karakter van de bewezenverklaarde handeling volgt naar oordeel van het hof uit de context daarvan zoals deze blijkt uit de bewijsmiddelen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 23 januari 2016 in Nederland, met [benadeelde], geboren op [geboortedag 2] 2000, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt een ontuchtige handeling heeft gepleegd, bestaande uit het ontuchtig betasten van de borst van voornoemde [benadeelde]. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een dag en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 59 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met het (op dat moment) vijftienjarige nichtje van zijn vriendin, door haar borst te betasten. De verdachte heeft door zo te handelen misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid en het vertrouwen van het zeer jonge slachtoffer. Dit is des te ernstiger nu het slachtoffer hem al van jongs af aan kende uit de familiekring, waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. Het slachtoffer zal nog lang de psychische last van het gebeuren met zich dragen. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en taakstraf van na te melden duur passend en geboden. In het voorgaande ligt besloten dat, gelet op de ernst van het feit, in hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd noch overigens grond kan worden gevonden voor het opleggen van een lagere straf dan de hieronder bedoelde. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen, te weten –uitsluitend- de ontuchtige handeling als hierboven bedoeld, rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 247 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) dagen. Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 20 (twintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 januari 2016. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 januari 2016. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. F.M.D. Aardema en mr. F.G. Hijink, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 februari 2018. mr. H.A. van Eijk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.