GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerken 17/00091 en 17/00092 13 maart 2018 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van [X] te [Z] , belanghebbende,gemachtigde: T.G. Visser RB (DRV Accountants & Adviseurs te Rotterdam) tegen de uitspraak van 13 juni 2012 in de zaken met kenmerken AWB 11/6452 en AWB 11/6453 van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
(2006)dan wel niet gebruikt voor belaste handelingen (2007 en 2008); de onderhavige diensten vormen een vergoeding voor een in natura verleende dienst door de huisartsen aan belanghebbende, zijnde het doorverwijzen van patiënten naar de apotheek van belanghebbende; er is sprake van het verstrekken van relatiegeschenken of andere giften in de zin van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 ( BUA) door belanghebbende aan de huisartsen; en belanghebbende heeft misbruik van het recht gemaakt. 4.
- Voor de onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken alsmede het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. 5Beoordeling van het geschil na verwijzing 5.1.
- De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de (enige) afnemer is van de onderhavige diensten. Het Hof overweegt ter zake dat partijen zich ter zitting eenparig op het standpunt hebben gesteld dat de werkzaamheden aan belanghebbende in rekening zijn gebracht op facturen die op de voorgeschreven wijze zijn opgemaakt en die op naam staan van en betaald zijn door belanghebbende. In dat geval moet het er, behoudens tegenbewijs, voor worden gehouden dat belanghebbende de afnemer van de prestaties is (vgl. HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6535, BNB 2012/55). De inspecteur is er naar het oordeel van het Hof niet in geslaagd om het van hem verlangde tegenbewijs te leveren. Ter toelichting dient dat de stelling van de inspecteur dat het genot, het verbruik en de beschikkingsmacht van de verbouwingsdienst geheel bij de huisartsen ligt en dat zij daarom als de afnemer moeten worden aangemerkt, wat hier verder ook van zij, niet als het te verlangen bewijs kan dienen. Voor het antwoord op de vraag aan wie de prestaties zijn verricht is immers uitsluitend van belang of de werkzaamheden zijn verricht ingevolge een rechtsbetrekking met de dienstverrichters (vgl. r.o 2.3.2, tweede alinea, van het verwijzingsarrest). Een dergelijke rechtsbetrekking kan niet worden gebaseerd op het door de inspecteur bedoelde genot, verbruik of de beschikkingsmacht. 5.1.
- De inspecteur stelt voorts dat, naast belanghebbende, ook de huisartsen rechtsbetrekkingen zijn aangegaan met de dienstverleners. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij gewezen op een achttal facturen (opgenomen in bijlage 13 t/m 15 bij zijn verweerschrift in beroep) die zijn gericht aan en betaald door belanghebbende. In vier facturen, opgenomen in bijlage 13, is vermeld: “Verder in overleg en in opdracht van de huisartsen (…)”. Het Hof volgt de inspecteur hierin niet, omdat belanghebbende in de procedure voor de Rechtbank onweersproken heeft gesteld, hetgeen het Hof overigens ook aannemelijk voorkomt, dat de vermelding: ‘en in opdracht van de huisartsen’ op een vergissing berust, in die zin dat daar bedoeld is: ‘in overleg met’. Ook in hoger beroep is deze stelling niet weersproken, zodat hiervan na cassatie moet worden uitgegaan, nu omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken. Met de enkele verwijzing naar facturen waarin is vermeld dat de desbetreffende werkzaamheden ‘in overleg met’ de huisartsen zijn verricht, heeft de inspecteur dan ook niet aannemelijk gemaakt dat ook de huisartsen rechtsbetrekkingen zijn aangegaan met de dienstverrichters. 5.1.
- De stelling dat uit de facturen opgenomen in bijlage 14, waarop is vermeld: “de (…) rekening voor de werkzaamheden, welke wij voor u gaan verrichten aan de nieuwbouw van de apotheek en artsencentrum aan de [B-weg] te [Z] ”, volgt dat de dienstverleners in opdracht van verschillende partijen werken, wordt evenmin gevolgd. Uit deze zinsnede kan weliswaar worden afgeleid dat de diensten ook betrekking hebben op de huisartsenpraktijken, doch daarin kan geen aanknopingspunt worden gevonden voor het antwoord op de vraag met wie de dienstverleners een rechtsbetrekking zijn aangegaan. De factuur opgenomen in bijlage 15 vermeldt: “E.e.a. overeenkomstig opdracht [Groep] (…)”. In reactie daarop is door belanghebbende ter zitting bij het Hof geloofwaardig verklaard dat de [Groep] een samenwerkingsverband is, bestaande uit een aantal apothekers, waaronder belanghebbende. Het Hof ziet, mede in het licht van deze geloofwaardige verklaring, niet in hoe deze zinsnede zou kunnen dienen als bewijs voor het bestaan van een rechtsbetrekking tussen de huisartsen en de dienstverleners. Nu bovendien vaststaat dat de facturen niet op naam staan van de huisartsen, niet door hen zijn betaald en de inspecteur niet beschikt over contracten tussen de huisartsen en de dienstverleners aangaande de afbouw en /of inrichting van de artsenpraktijken, is het Hof van oordeel dat de inspecteur er niet in is geslaagd te bewijzen dat de dienstverleners (ook) rechtsbetrekkingen met de huisartsen zijn aangegaan. Ten overvloede overweegt het Hof dat daartoe onvoldoende is dat er overleg met de huisartsen heeft plaatsgevonden en dat de werkzaamheden overeenkomstig hun wensen zijn uitgevoerd. 5.2.
- De stelling van de inspecteur dat belanghebbende de onderhavige kosten/prestaties niet heeft gebruikt in het kader van haar onderneming
(2006)dan wel niet heeft gebruikt voor belaste handelingen (2007 en 2008), omdat een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de diensten van de dienstverleners en een latere belaste handeling van belanghebbende ontbreekt, wordt verworpen. Het Hof acht deze stelling onverenigbaar met het oordeel van de Hoge Raad (vgl. r.o. 2.3.4 van het verwijzingsarrest) dat de stukken van het geding geen andere conclusie toe laten dan dat belanghebbende de onderhavige kosten voor haar rekening heeft genomen ter bevordering van haar (met omzetbelasting belaste) omzet en met het oog op de afname van haar producten door derden. De onderhavige kosten dienen naar ’s Hofs oordeel te worden gekwalificeerd als algemene ondernemingskosten. 5.2.2. De stelling van de inspecteur, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake Iberdrola (HvJ 14 september 2017, nr. C-132/16), dat belanghebbende geen recht op aftrek geniet, omdat zij méér diensten/kosten voor haar rekening heeft genomen dan noodzakelijk voor haar bedrijfsvoering, is door belanghebbende gemotiveerd weersproken. Belanghebbende heeft in dat kader verklaard dat, als zij de onderhavige kosten niet voor haar rekening zou hebben genomen, de huisartsen niet zouden zijn verhuisd noch zouden zijn toegetreden tot de ‘Verenging [Centrum] ’, hetgeen het oogmerk van belanghebbende was. Het Hof ziet geen aanleiding deze verklaring in twijfel te trekken. 5.2.3. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende de onderhavige kosten, die naar ’s Hofs oordeel kwalificeren als algemene ondernemingskosten, niet in aftrek kan brengen omdat de prijzen van medicijnen in het onderhavige tijdvak door de Rijksoverheid werden vastgesteld, zodat de onderhavige kosten niet konden worden opgenomen in de prijs van de medicijnen, mist feitelijke grondslag. Ter toelichting dient het volgende. In 1996 is de Wet Geneesmiddelenprijzen (WGP) ingevoerd. Deze wet heeft als doel maximumprijzen vast te stellen voor receptplichtige geneesmiddelen die in Nederland worden vergoed. De invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 heeft geleid tot decentrale (prijs)onderhandelingen. Anders dan de inspecteur stelt, stelt de Rijksoverheid dus geen prijzen voor medicijnen vast; deze worden vanaf 2006 door apothekers en zorgverzekeraars in onderling overleg vastgesteld. Hieraan doet niet af dat de Rijksoverheid op grond van de WGP maximumprijzen vaststelt teneinde de betaalbaarheid van medicijnen te waarborgen. Reeds daarom faalt de stelling van de inspecteur. Ten overvloede overweegt het Hof dat ook als medicijnprijzen in het onderhavige tijdvak door de Rijksoverheid zouden zijn vastgesteld, dit niet zonder meer tot een ander oordeel zou leiden. Ook de Rijksoverheid zal bij haar prijsstelling tot op zekere hoogte immers rekening houden met algemene ondernemingskosten. Zelfs als de inspecteur had gesteld en bewezen dat de algemene ondernemingskosten van belanghebbende in werkelijkheid hoger zijn dan door de Rijksoverheid begroot, zou het Hof daarin geen aanleiding hebben gevonden om de aftrek te beperken. Ter toelichting dient dat ook verlieslijdende ondernemers immers recht behouden op (volledige) aftrek van voorbelasting. 5.3. Ten aanzien van de stelling dat de onderhavige diensten een vergoeding vormen voor een in natura verleende dienst door de huisartsen, gelegen in het doorverwijzen van patiënten naar de apotheek van belanghebbende, overweegt het Hof als volgt. Ten bewijze van deze stelling beroept de inspecteur zich op het ‘concept voor bespreekdoeleinden’ van een ‘overeenkomst inzake samenwerking tussen 5 huisartsenpraktijken en [X] ’ (zie 2.3). Daarin is in art. 5 onder meer bepaald dat de vijf huisartsen zich elk maximaal zullen inspannen om hun patiënten van de diensten van [X] gebruik te laten maken en de recepten bij deze apotheek te laten bestellen. Door belanghebbende is in dit kader onweersproken gesteld dat de daarin genoemde vijf huisartsen deze overeenkomst niet hebben willen tekenen. De stukken van het geding bieden geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat niettemin uitvoering is gegeven aan deze overeenkomst noch dat partijen de perceptie hebben gehad dat de gestelde prestatie c.q. vergoeding wederzijds afdwingbaar waren. De omstandigheid dat patiënten door de huisartsen wellicht vrijblijvend zijn gewezen op de mogelijkheid om hun medicijnen ‘om de hoek’, bij de apotheek van belanghebbende af te halen, is onvoldoende om dit als een prestatie tegen vergoeding in de zin van de Wet OB te kunnen aanmerken. 5.4. Naar aanleiding van de stelling van de inspecteur dat te dezen sprake is van het verstrekken van relatiegeschenken of andere giften aan huisartsen in de zin van het BUA, constateert het Hof dat deze stelling door de Hoge Raad reeds is verworpen in r.o. 2.3.4 van het verwijzingsarrest. In het geding na cassatie staat derhalve onherroepelijk vast dat deze stelling faalt. 5.5. Meest subsidiair stelt de inspecteur dat belanghebbende misbruik van recht heeft gemaakt. Van misbruik van recht is sprake wanneer
- i)de betrokken transacties, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden vastgelegd in de desbetreffende bepalingen van de Btw-richtlijn alsmede de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn, ertoe leiden dat in strijd met het doel van deze bepalingen een belastingvoordeel wordt toegekend, en
- ii)uit een geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen (vgl. HvJ 21 februari 2006, Halifax plc c.s., nr. C-255/02, hierna: het Halifax-arrest, punten 74 en 75). De Rechtbank heeft daarbij in r.o. 22 van haar uitspraak terecht vooropgesteld dat een ieder het recht heeft om zijn activiteit zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft. De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld (zie onderdeel 22 en 23 uitspraak rechtbank) dat geen sprake is van misbruik van recht omdat de door belanghebbende gekozen weg niet kunstmatig en van elk reëel belang ontbloot is. Het Hof neemt dit oordeel alsmede de gronden waarop dit berust over en maakt deze tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen de inspecteur daaromtrent in hoger beroep en na verwijzing heeft aangevoerd voegt het Hof daar nog het volgende aan toe. De stelling van de inspecteur dat dit oordeel blijk geeft van een te enge uitleg van het arrest van het HvJ, Paul Newey (HvJ 20 juni 2013, nr. C-653/11), omdat de realiteit is dat het verbruik van de verbouwing volledig binnen de huisartsenpraktijk plaatsvindt, miskent dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de stukken van het geding geen andere conclusie toe laten dan dat de realiteit is dat belanghebbende de onderhavige kosten voor haar rekening heeft genomen ter bevordering van haar omzet en met het oog op de afname door derden van haar producten. Dit oordeel brengt mee dat het wezenlijke doel van belanghebbende niet was gericht op het behalen van een belastingvoordeel en voorts dat de onderhavige aftrek - nu de prestaties van belanghebbende zijn belast met btw - niet strijdig is met doel en strekking van de Wet OB. Daarenboven is gesteld noch gebleken dat de facturering aan belanghebbende schijn is geweest en dat de huisartsen de uiteindelijke betalingen hebben gedaan. Van een schijnhandeling is derhalve evenmin sprake. Slotsom De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. 6 6. Kosten Het Hof vindt aanleiding de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor haar verweer in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Procedure Hof Den Haag Het Hof stelt het bedrag aan kosten van rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op € 1.503 (1 punt voor het indienen van het verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1,5). Verwijzingsprocedure Hof Amsterdam Het Hof stelt het bedrag aan kosten van rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op € 1.127,25 (0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke zienswijze na cassatie en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1,5). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is het Hof niet gebleken. 7 7. Beslissing Het Hof: - bevestigt de uitspraak van de rechtbank; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ter zake van het hoger beroep, vastgesteld op in totaal € 2.630,25; en - bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 466. De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, H.E. Kostense en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H.G. Otten, als griffier. De beslissing is op 13 maart 2018 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.