GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.211.327/01 zaaknummer rechtbank : 4050592 DX EXPL 15-48 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 april 2019 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellant, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, tegen DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1Het geding in hoger beroep Partijen worden hierna [appellant] en Dexia genoemd. [appellant] is bij dagvaarding van 27 februari 2017 in hoger beroep gekomen van (mede gezien de memorie van grieven) de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 28 juli 2016 (hierna: het tussenvonnis) en 15 december 2016 (hierna: het eindvonnis), onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] en Dexia als verzoekers in een procedure op de voet van art. 96 Rv. Partijen hebben hun gezamenlijke verzoek toegespitst op de vraag of het beroep op vernietiging ex art. 1:88 BW jo art.1:89 BW ter zake de leaseovereenkomsten is verjaard. Partijen hebben zich daarbij uitdrukkelijk het recht voorbehouden om in hoger beroep te komen van de uitspraak van de kantonrechter. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met producties; - memorie van antwoord, met producties; - akte uitlating van [appellant] , met producties; - antwoordakte van Dexia. Ten slotte is arrest gevraagd. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest - voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden vonnissen zal vernietigen, met uitzondering van de daarin opgenomen verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst met nummer [nummer 1] en de verlengingsovereenkomsten met nummers [nummer 2] en [nummer 3] zijn vernietigd en met uitzondering van hetgeen daarin is opgenomen over de betalingsverplichtingen van Dexia die daaruit voortvloeien, en alsnog voor recht zal verklaren dat - zo volgt uit de grieven - ook de oorspronkelijke leaseovereenkomsten met nummers [nummer 2] en [nummer 3] rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia zal veroordelen tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen is betaald onder deze overeenkomsten, met rente. Het vorenstaande met beslissing over de proceskosten, met nakosten. Dexia heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in het appel, althans dit zal verwerpen en de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten. [appellant] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van zijn stellingen. 2Feiten De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder 1.1 tot en met 1.6, feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. 3Boordeling 3.1 Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van art. 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in art. 2 van de WCAM-overeenkomst. [appellant] heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt. 3.2 Deze procedure ziet op de volgende leaseovereenkomsten, aangegaan tussen [appellant] en (een rechtsvoorgangster van) Dexia: Winstverdubbelaar van 25 april 1997 met contractnummer [nummer 2] , Winstverdriedubbelaar van 9 juli 1999 met contractnummer [nummer 3] en Troefplan van 28 maart 2001 met contractnummer [nummer 1] (hierna: de leaseovereenkomsten dan wel respectievelijk leaseovereenkomst I, II en III). De leaseovereenkomsten I en II zijn na afloop van de looptijd verlengd. De echtgenote van [appellant] - [X] (hierna: [X] ) - heeft bij brieven van 1 april 2003 en 25 juli 2005 de leaseovereenkomsten vernietigd met een beroep op art. 1:89 BW. 3.3 De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van art. 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. [X] heeft op grond van art. 1:89 lid 1 BW het recht de leaseovereenkomsten te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan door [appellant] geen schriftelijke toestemming heeft gegeven. 3.4 Uit art. 3:52, lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met art. 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens art. 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge art. 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de betrokken echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Voor zover [appellant] in zijn grief 2 omtrent het voorgaande een ander standpunt heeft verdedigd gaat dat betoog niet op. Het hof wijst in dat verband op het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1866). Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rust de stelplicht, en bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot kan worden afgeleid. 3.5 De kantonrechter heeft bij het niet bestreden tussenvonnis van 23 april 2015, conform het gezamenlijke verzoek van partijen, bepaald dat een (voorlopig) getuigenverhoor zal worden gehouden. [appellant] en [X] zijn op 9 juni 2015 als getuigen gehoord. 3.6 In het tussenvonnis heeft de kantonrechter, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018), overwogen en beslist dat de inleidende dagvaarding van 13 maart 2003 in de collectieve procedure, die (onder meer) Stichting Eegalease tegen Dexia aanhangig heeft gemaakt, de mogelijkheid om de leaseovereenkomsten te vernietigen, heeft gestuit en wel tot uiterlijk zes maanden nadat dit hof in zijn arrest van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard. Nu leaseovereenkomst III en de verlengingsovereenkomsten I en II ná 13 maart 2000 zijn aangegaan en [X] bij brieven van 1 april 2003 en 25 juli 2005 de leaseovereenkomsten tijdig heeft vernietigd is de door [appellant] gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot die overeenkomsten toewijsbaar, aldus de kantonrechter. 3.7 Daaruit volgt dat de vraag of de vernietigingsbevoegdheid is verjaard alleen nog betrekking heeft op de oorspronkelijke leaseovereenkomsten I en II. Bij de waardering van het bewijs heeft de kantonrechter ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden onder meer ontleend aan het feit dat de betalingen op grond van de leaseovereenkomsten werden verricht vanaf een en/of-rekening, die op naam stond van [appellant] en [X] . De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat [appellant] er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen, dat ervan uit wordt gegaan dat [X] eerder dan drie jaar vóór de datum van de vernietigingsbrief van 25 juli 2005 van de leaseovereenkomsten I en II op de hoogte was en dat de vernietiging niet tijdig is geschied. Om die reden is de vordering van [appellant] afgewezen voor zover deze betrekking had op de leaseovereenkomsten I en II en toegewezen voor zover deze zag op leaseovereenkomst III en de beide verlengingsovereenkomsten. In het eindvonnis heeft de kantonrechter de door Dexia (in reconventie) gevorderde verklaring voor recht dat Dexia aan haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [appellant] is verschuldigd, afgewezen. 3.8 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn eis vermeerderd. Nu Dexia geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eisvermeerdering en deze niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde zal het hof recht doen op de vermeerderde eis. 3.9 Tegen de bestreden vonnissen van de kantonrechter richt [appellant] vijf grieven. De grieven 1, 3 en 5 bestrijden het oordeel van de kantonrechter dat hij er niet is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen ten aanzien van de leaseovereenkomsten I en II en dat het beroep van Dexia op verjaring van de vernietigingsbevoegdheid slaagt. 3.10 Deze grieven slagen. Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat het bewijsvermoeden dat is ontleend aan de hiervoor vermelde feiten is ontzenuwd. Uit de verklaringen van de echtelieden volgt dat [appellant] de rekening beheerde waarvan de betalingen aan Dexia werden verricht. [X] opende ook bankpost, maar deed dat voor het gemak van [appellant] . De afschriften bekeek zij niet, behalve het saldo. Dat laatste is onvoldoende om aan te nemen dat zij aldus kennis heeft gekregen van de afschrijvingen en daarmee van het bestaan van de leaseovereenkomsten I en II. Gelet hierop kan op grond van de getuigenverklaringen en de in het geding gebrachte stukken, ook in onderling verband en samenhang bezien, niet worden vastgesteld dat [X] vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten I en II. Dexia wijst er op dat de getuigenverklaringen tegenstrijdigheden bevatten, maar deze zijn van onvoldoende gewicht om de verklaringen als ongeloofwaardig te bestempelen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de werking van waarneming en geheugen zo haar beperkingen kent, zeker waar het hier gebeurtenissen van meer dan 15 jaar geleden betreft. Daarbij past te aanvaarden dat zich tegenstijdigheden kunnen voordoen. Hetgeen Dexia in eerste aanleg en in hoger beroep ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid verder heeft aangedragen betreft vooral veronderstellingen. Verder moet in aanmerking worden genomen dat de kantonrechter ten onrechte toetst of [X] drie jaar vóór de vernietigingsbrief van 25 juli 2005 bekend was met de leaseovereenkomsten I en II (zie het tussenvonnis onder 3.3). Als gevolg van de stuitende werking van de collectieve procedure moet echter uitgegaan worden van een (veel) eerder tijdstip, namelijk drie jaar vóór 13 maart 2003. In hoger beroep heeft Dexia geen bewijsaanbod gedaan, zodat geen aanleiding bestaat Dexia in staat te stellen alsnog bewijs te leveren. 3.11 Met grief 4 betoogt [appellant] dat alle leaseovereenkomsten, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, zijn vernietigd per brief van 1 april 2003. Dexia voert gemotiveerd verweer. 3.12 Deze grief faalt. Uit de vernietigingsbrief moet - gelet op de vereisten die voortvloeien uit art. 3:50 lid 1 BW - blijken om welke rechtshandeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.